Artikel: Van aandelenhandel, cryptomining en technisch lastig te leveren bewijs

Ondernemers die vrijgestelde prestaties verrichten hebben geen recht op aftrek van voorbelasting. De uitzondering op deze hoofdregel is art. 15 lid 2 onderdeel c Wet OB 1968: ondernemers die vrijgestelde financiële prestaties verrichten aan afnemers die buiten de EU gevestigd zijn, hebben toch recht op vooraftrek van de btw die direct toerekenbaar is aan die prestaties. Deze regeling beoogt te voorkomen dat Europese financiële dienstverleners ten opzichte van niet-EU dienstverleners in een nadeligere concurrentiepositie komen vanwege de voordruk op hun inkoop.

Maar ook hier gaat de technologische ontwikkeling voor de wet uit. De hoogtechnologische aard van een aantal financiële prestaties maakt het lastig (om niet te spreken van onmogelijk) om op een zinvolle manier te bewijzen dat de afnemers van deze prestaties buiten de EU gevestigd zijn. In dit artikel wordt de bewijspositie voor de toepassing van art. 15 lid 2 onderdeel c Wet OB 1968 besproken aan de hand van een twee voorbeelddiensten: de overdracht van aandelen en het minen van cryptografische valuta. Daarbij worden tevens enkele oplossingsrichtingen voor het bewijsprobleem besproken. Geconcludeerd wordt dat, om de ratio van art. 15 lid 2 onderdeel c Wet OB 1968 te verwezenlijken, aanvullende regelgeving wenselijk zou zijn.

Lees verder:


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF