Rechtspraak; nemo tenetur en de smartphone

Op 28 februari 2019 heeft de Rechtbank Noord-Holland bepaald dat het opsporingsambtenaren was toegestaan de duim van een geboeide verdachte ter ontgrendeling op diens iPhone te plaatsen. ‘Justitie’ was op zoek naar ‘in’ de telefoon gelegen bewijs in een onderzoek naar diverse vermogensdelicten (zoals ‘phishing’ en oplichting) en deelname aan een criminele organisatie. De verdachte wenste niet mee te werken aan de ontgrendeling van zijn telefoon. Niet geheel onbegrijpelijk werd in de uiteindelijke strafzaak onder meer naar voren gebracht dat het aldus verkregen bewijs niet mocht worden gebruikt tegen de verdachte, daar in strijd met het nemo tenetur-beginsel en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zou zijn gehandeld. De verdediging werd in haar betoog echter niet gevolgd.

De rechtbank overwoog dat de gewraakte handelwijze niet in strijd was met het nemo tenetur-beginsel. Dat beginsel houdt volgens haar eerst en vooral in dat de verdachte mag zwijgen als hij dat wil. De verdachte heeft in casu niets hoeven verklaren of actief ergens aan moeten meewerken, maar heeft slechts de onderzoekshandeling moeten dulden. Hierbij is een zeer geringe mate van dwang toegepast (de aangekondigde toepassing van gepast geweld bleef uit, kennelijk berustte de verdachte toen het eenmaal zo ver was). Het maakt voor de rechtbank niet uit dat hierdoor wilsafhankelijk en voor de verdachte belastende gegevens werden verkregen. Ook de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit waren volgens de rechtbank niet geschonden. Voor haar was met name van belang dat via toegang tot de telefoon de opsporing kon verwachten relevante gegevens te vergaren, de telefoon nieuw en (nog) niet te kraken was, het ging om een verdenking van ernstige strafbare feiten en slechts in beperkte mate inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte.

Lees verder:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF