Overwegingen over begrip “geautomatiseerd werk”

Rechtbank Noord-Holland17 juni 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:5152

Verdachte heeft zich in de periode van 29 december 2018 tot en met de ontdekking op heterdaad op 19 februari 2019 samen met anderen vele malen schuldig gemaakt aan telecomfraude, soms gelijktijdig in twee verschillende verdeelkasten. Per kabelverdeelkast werden de telefoonlijnen van meer dan tien abonneehouders misbruikt, met als gevolg dat ieder van hen ten onrechte kosten in rekening werden gebracht. Bij deze fraude is gebruik gemaakt van de kennis en kunde alsmede van de toegangssleutel, waarover verdachte uit hoofde van eerdere monteurswerkzaamheden voor slachtoffer 1 beschikte.

Oordeel van de rechtbank


Feit 1: het begrip “geautomatiseerd werk”

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 26 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY9718) geldt het volgende. Een inrichting kan alleen als geautomatiseerd werk worden aangemerkt in de zin van artikelen 80 sexies en138ab Sr indien zij geschikt is om drie functies te vervullen, te weten opslag, verwerking en overdracht van gegevens. Uit die wetsgeschiedenis volgt ook dat het begrip geautomatiseerd werk niet beperkt is tot apparaten die zelfstandig aan deze drievoudige eis voldoen. Ook netwerken bestaande uit computers en/of telecommunicatievoorzieningen heeft de wetgever onder het begrip 'geautomatiseerd werk' willen brengen, terwijl art. 138a (oud) Sr ook toepasselijk is op delen van zulke geautomatiseerde werken.

Van belang is wel dat de inrichting zowel gegevens kan opslaan als deze verwerken én overdragen (Kamerstukken II, 2004-2005, 26 671, nr. 10, blz. 31). Een inrichting die enkel bestemd is om gegevens over te dragen (een eenvoudig telefoontoestel, bepaalde zend- en ontvanginrichtingen) of op te slaan valt dus buiten de begripsomschrijving (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 671, nr. 3, blz. 44).

Blijkens het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van verbalisant verbalisant d.d. 8 april 2019 (pagina 510-511 politiedossier) heeft werknemer, werknemer bij slachtoffer 1, desgevraagd verklaard “Een kabelverdeelkast (KVD) is geen op zichzelf staand geautomatiseerd werk, maar maakt deel uit van een telecommunicatienetwerk. Dit telecommunicatienetwerk bestaat behalve uit kabelverdeelkasten ook uit huisaansluitingen, telefooncentrales en geautomatiseerde bedrijfsprocessen en is bedoeld voor het overdragen, verwerken en opslaan van onder meer gespreksgegevens.”

Deze verklaring van werknemer is helder, in het bijzonder op het punt waarom hij van mening is dat hier sprake is van een netwerk. De rechtbank acht het niet noodzakelijk om hem om die reden als getuige te horen. Het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Uit de verklaring volgt eenduidig dat de kabelverdeelkast onderdeel is van een telecommunicatienetwerk, dat als netwerk (gespreks)gegevens overdraagt en verwerkt en opslaat.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdeelkasten van slachtoffer 1 als deel van een telecommunicatievoorziening kunnen worden aangemerkt en derhalve onder de begripsomschrijving van “geautomatiseerd werk” vallen. Dit betekent dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen.


Feit 3: oogmerk van niet betalen

Het verweer faalt. Weliswaar worden de kosten van de afgenomen diensten van slachtoffer 1 en de betreffende 0906-nummers in eerste instantie in rekening gebracht bij de slachtoffer 1-klanten, van wie het telefoonnummer door de technische ingreep werd overgenomen. Maar tot betaling zijn deze klanten niet gehouden, nu zij immers de betreffende diensten niet hebben afgenomen. Deze diensten zijn afgenomen - door middel van die technische ingreep - door verdachte en zijn mededader(s), terwijl zij daarbij juist het oogmerk hebben gehad voor die diensten niet te betalen.


Feiten 1, 2 en 3: medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd bij het begaan daarvan en/of sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Dit is te beoordelen aan de hand van de concrete omstandigheden, zoals de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Uit het proces-verbaal telecomanalyse d.d. 4 april 2019 blijkt dat de bij verdachte en medeverdachte 1 in gebruik zijnde mobiele telefoonnummers, mede in onderling verband gezien, gekoppeld kunnen worden aan een groot aantal van de door de slachtoffer 1 bij de aangifte gemelde fraude-incidenten. Met uitzondering van de incidenten in Amsterdam op 4 en 5 januari 2019 adres 2, in Purmerend op 15 januari 2019 adres 2, in Haarlem op 23 januari 2019 adres 2, in Alkmaar op 26 januari 2019 adres 2 en in Haarlem op 2 februari 2019 adres 2, is die betrokkenheid zodanig dat die bijdraagt aan het bewijs van medeplegen door verdachte en medeverdachte 1. Voor de juistgenoemde uitgezonderde incidenten zal de rechtbank vrijspreken.

Voor de overige incidenten stelt de rechtbank het volgende vast. In deze gevallen straalt de mobiele telefoon van medeverdachte 1 een zendmast aan, binnen het bereik waarvan de verdeelkast valt waarin op dat moment de fraude wordt gepleegd. Gedurende het fraude-incident vindt tussen de mobiele telefoonnummers van verdachte en medeverdachte 1 een (kort) telefoongesprek plaats, waarbij de mobiele telefoon van medeverdachte 1 dan nog steeds de zendmast aanstraalt, binnen het bereik waarvan de verdeelkast valt. De mobiele telefoon van verdachte bevindt zich dan onder het dekkingsgebied van de mast adres 3, zijnde de thuismast van het bedrijf van verdachte of van de mast adres 4, zijnde de thuismast van het woonadres van verdachte. In een aantal gevallen is verdachte degene die zich in de buurt van de bedrijf 1 bevindt. In die gevallen valt de mobiele telefoon van medeverdachte 1 dan onder het dekkingsgebied van de mast adres 3, de thuismast van het bedrijf van verdachte. Tijdens de fraude-incidenten hebben de mobiele telefoonnummers van verdachte en medeverdachte 1 verder onderling contact via chat apps als Whatsapp en Telegram. Tevens zijn gedurende vele van de fraudeincidenten internetregistraties vastgesteld door het mobiele nummer van ofwel verdachte ofwel medeverdachte 1.

Vanaf 13 februari 2019 is dan te zien dat naast de mobiele telefoon van medeverdachte 1, ook de mobiele telefoon van medeverdachte 2 zich bevindt binnen het bereik waarvan de verdeelkast valt, waarin op dat moment fraude wordt gepleegd. Op 13 februari 2019 betreft dit één verdeelkast en is er via whatsapp van te voren contact geweest tussen medeverdachte 1 en medeverdachte 2. Vervolgens geeft medeverdachte 1 op 15 februari 2019 het telefoonnummer van verdachte door aan medeverdachte 2 en is op 17 februari 2019 en 18/19 februari 2019 tijdens twee fraudeincidenten in twee verdeelkasten in respectievelijk Amsterdam en Hoofddorp te zien dat de mobiele telefoons van medeverdachte 2 en medeverdachte 1 zich afzonderlijk bevinden binnen het bereik van een van deze verdeelkasten. medeverdachte 2 heeft hierover verklaard dat hij bij de verdeelkasten werd afgezet, ze voor hem werden geopend, hij de telefoons daar koppelde met een telenetwerk, er codes door hem werden doorgegeven en hij ervoor moest zorgen dat de lijnen niet uitvielen.

De locaties van de mobiele nummers, het gebruik ervan, de onderlinge contacten en de internetregistraties sluiten aan op de fraudewerkwijze, namelijk dat een persoon eerst de website van het 0906-nummer bezoekt om een tegoedbestelling te plaatsen, een persoon vervolgens een via de site verkregen code doorgeeft aan een ander, die andere persoon die code vervolgens in de kabelverdeelkast via de overgenomen telefonielijn van een slachtoffer 1-klant invoert, waarna het opwaarderen van het tegoed via die telefonielijn begint.

De rechtbank stelt vast dat gezien deze werkwijze het aandeel van zowel de persoon die de bestelling plaatst en die de codes verstrekt als de persoon in de kabelverdeelkast staat steeds onmisbaar is en samenwerking tussen hen cruciaal is om de fraude uit te voeren.

Daar komt nog het volgende bij. Blijkens de aangifte van slachtoffer 1 is bij geen van de bewezen te verklaren fraude-incidenten sprake geweest van braaksporen op de toegangsdeuren. In het proces-verbaal van bevindingen (pagina 426 e.v.) is weergegeven dat de toegangsdeur een cilinderslot heeft, dat pas opengemaakt kan worden met de sleutel wanneer er met een pinnetje bij het cilinderslot op een specifieke plek ingestoken wordt. verdachte is bij slachtoffer 1 in dienst geweest als installatie- en storingsmonteur. Uit dien hoofde had hij een op zijn naam gestelde toegangssleutel tot de verdeelkasten van slachtoffer 1 verstrekt gekregen. Tevens had hij uit dien hoofde kennis van de voor opening van de toegangsdeur benodigde handelingen. De op naam van verdachte verstrekte sleutel is bij medeverdachte 1 aangetroffen op het moment dat medeverdachte 1 op heterdaad werd aangehouden in een bedrijf 1 adres 2 te Hoofddorp. Tevens is daarbij bij medeverdachte 1 een lock-pick aangetroffen, die geschikt is om op genoemde specifieke plek in te steken om vervolgens die sleutel te kunnen gebruiken. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat medeverdachte 1 die sleutel en kennis over hoe de toegangsdeur te openen van verdachte heeft verkregen. Een andere redengevende verklaring voor de bij medeverdachte 1 aangetroffen sleutel van verdachte is niet aannemelijk geworden. Tot de aanname van de rechtbank draagt verder bij dat in de telefoon van medeverdachte 1 whatsapp-berichten van 19 februari 2019 gevonden zijn tussen verdachte en medeverdachte 1 op tijdstippen die samenvallen met het fraudeincident van die datum, waarin zij onderling informatie uitwisselen over of medeverdachte 1 klaar is, hoeveel telefoons medeverdachte 1 heeft, of hij codes nodig heeft of dat hij nog wacht op ‘crypto’, en waarna vervolgens het aantal benodigde codes door verdachte wordt doorgegeven. Ook maakt medeverdachte 1 melding van de 30 lijnen die hij heeft en dat er 4 bij hem (de rechtbank begrijpt: medeverdachte 2) stuk zijn. Hierop deelt verdachte mee “ga samen anders kast in als daar 30 zijn”.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;

  • Feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

  • Feit 3: medeplegen van met het oogmerk daarvoor niet volledig te betalen door een technische ingreep gebruik maken van een dienst die via telecommunicatie aan het publiek wordt aangeboden, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

  • een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met eenproeftijd van twee jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF