Veroordeling katvanger voor phishing: Matiging wettelijke verplichting tot schadevergoeding

Rechtbank Den Haag 29 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4229

Een katvanger wordt veroordeeld tot taakstraf van 240 uur voor (gewoonte)witwassen in 2013 en 2014 van auto’s die werden aangeschaft met gelden die verkregen werden door grootschalige oplichting van rekeninghouders.

Inleiding

Op 5 augustus 2013 heeft de Rabobank de politie in Den Haag gemeld dat een rekeninghouder slachtoffer was geworden van ‘phishing’. De rekeninghouder had zijn inloggegevens verstrekt aan een vrouw die zich voordeed als alias 1, medewerkster van de Rabobank. Vervolgens werden, zonder medeweten van de rekeninghouder, grote bedragen overgemaakt naar twee juweliers voor de aankoop van dure horloges. Het contact met de juweliers verliep per e-mail en telefoon met een vrouw die zich alias 1 noemde. Bij een van de juweliers werden de betaalde horloges opgehaald door een vrouw die zich identificeerde als alias 2. De andere juwelier heeft het bestelde horloge uiteindelijk niet geleverd.

Toen sprake bleek te zijn van meerdere vergelijkbare gevallen, heeft de politie in samenwerking met de Rabobank nader onderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek, naam onderzoek genaamd, is gebruikgemaakt van verschillende opsporingsmethodieken, waaronder het afluisteren van telefoons en de inzet van een IMSI-catcher. Uit dit onderzoek zijn onder meer de verdachten Medeverdachte 8, Medeverdachte 1, verdachte, Medeverdachte 2, Medeverdachte 3 en Medeverdachte 4 naar voren gekomen.

Medeverdachte 8 en Medeverdachte 1 zijn op 10 september 2013 op heterdaad aangehouden. Medeverdachte 2, Medeverdachte 3 en Medeverdachte 4 zijn op 7 mei 2014 aangehouden. Verdachte is (in het onderzoek naam onderzoek) op 1 juni 2015 aangehouden.

Omdat in deze strafzaak sprake is van in totaal zes verdachten en de hierna volgende bewijsbeoordeling ook op de andere verdachten ziet, wordt voor de leesbaarheid van de bewijsbeoordeling hoofdzakelijk verwezen naar de verschillende verdachten met hun eigen naam, dus zonder (steeds) de aanduiding ‘de verdachte’ of ‘de Medeverdachte’.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of en zo ja, in welke vorm, de verdachte betrokken was bij een of meer van deze phishing zaken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig haar op schrift gesteld requisitoir, op het standpunt gesteld dat alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals verwoord in zijn pleitnota, zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat de bijdrage van de verdachte onvoldoende substantieel is geweest om te kunnen spreken van deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de rechtbank


Vrijspraak feit 2 (deelname aan een criminele organisatie)

Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, een bepaalde gezamenlijke werkwijze, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en een bepaalde hiërarchie.

De organisatie dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, hetgeen betekent dat het plegen van misdrijven het naaste doel van de organisatie is.

Voor het bewijs van het oogmerk kan betekenis toekomen aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat op grote schaal phishing heeft plaatsgevonden. Klanten van de Rabobank kregen een valse e-mail waarin hen werd gevraagd op een link te klikken en/of persoonsgegevens achter te laten. Deze mensen werden kort daarna telefonisch benaderd door iemand die zich voordeed als medewerkster van de Rabobank die met hen enkele stappen wilde doorlopen in verband met – in de meeste gevallen – een update van het beveiligingssysteem. Mensen verstrekten nietsvermoedend inloggegevens en codes, waarmee door anderen betalingen konden worden verricht. Terwijl de mensen nog aan de telefoon zaten met de ‘medewerkster van de Rabobank’, werden al bedragen van hun rekening overgemaakt naar rekeningen van derden, waarop er vrijwel direct op diverse plekken verspreid over Nederland dure horloges of auto’s werden gekocht. Uit het dossier blijkt dat verschillende auto’s kort na de aankoop met het ‘gephishte’ geld werden doorverkocht voor een opvallend lagere koopsom.

Inherent aan bovengeschetste gang van zaken is een strakke mate van organisatie. Phishing vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting (waaronder niet de in laatste plaats de verklaring van verdachte zelf) blijkt dat verdachte bij een gedeelte van de hiervoor geschetste gang van zaken betrokken was. Vastgesteld kan worden dat verdachte aanvankelijk auto’s die werden gekocht met net gephisht geld ophaalde en voor korte tijd op zijn naam liet zetten. Later regelde hij mede-katvangers uit zijn kennissenkring die hem vergezelden bij het ophalen van de auto’s. De auto’s werden in die gevallen op naam van de andere katvangers gezet. verdachte heeft ook een aantal auto’s doorverkocht. Hij heeft over dat laatste verklaard dat hij dat deed, omdat hij voor het ophalen van de auto’s niet steeds betaald kreeg door zijn opdrachtgevers en hij op deze manier zijn toelage veiligstelde.

De rest van de opbrengst van de verkochte auto’s droeg hij af aan zijn opdrachtgevers. verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet wist dat het geld waarmee de auto’s werden gekocht afkomstig was van phishing. Hij dacht dat het geld uit het buitenland kwam, dat het van zijn (buitenlandse) opdrachtgevers was en dat het ging om een soort witwassen.

Uit het voorgaande (en uit de bewijsmiddelen in de hierna te bespreken zaaksdossiers) blijkt dat weliswaar sprake is geweest van een samenwerkingsverband en dat verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met het binnen de organisatie bestaande oogmerk, maar niet dat verdachte binnen dat samenwerkingsverband heeft gehandeld of op andere wijze daarvan deel heeft uitgemaakt. Uit verdachte ’ verklaring ter terechtzitting blijkt immers dat hij juist zijn positie ten opzichte van de andere in de tenlastelegging genoemde verdachten bewaakte, meer dan dat zij een gezamenlijk doel nastreefden. De rechtbank kan dan ook niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte met de andere in de tenlastelegging genoemde verdachten handelde met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk doel. Bij die stand van zaken zal de rechtbank verdachte vrijspreken van deelname aan een criminele organisatie, zoals onder feit 2 tenlastegelegd.


Feit 1 (gewoontewitwassen)

Partiele vrijspraak feit 1, ten aanzien van zaaksdossier 33

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd met betrekking tot zaaksdossier 33 niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden. Uit het dossier blijkt dat de Rabobank de autohandelaar tijdig heeft geïnformeerd dat het voor een auto overgeboekte bedrag van fraude afkomstig was. Verdachte is weliswaar bij de autohandelaar geweest, maar is weer onverrichter zake vertrokken. Nu dit feit aan verdachte niet in de vorm van een poging ten laste is gelegd, zal de rechtbank hem hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van de overige zaaksdossiers

De rechtbank legt de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag aan haar oordeel.

Zowel door de Rabobankals door individuele rekeninghoudersis aangifte gedaan van oplichting en/of phishing. De modus operandi in het onderzoek naam onderzoek zoals die uit de aangiftes van de Rabobank naar voren komt was – kort samengevat – als volgt.

Allereerst werden (in veel gevallen) uit naam van de Rabobank e-mails naar rekeninghouders verzonden, waarin stond vermeld dat een nieuwe update van het internetbankieren moest plaatsvinden, of dat er een beveiligingsrisico was omdat misbruik van hun internetbankieren-account werd gemaakt, of dat in verband met de invoering van de IBAN-code een nieuwe update uitgevoerd moest worden. Door op een link in de e-mail te klikken, kwamen slachtoffers op een website van ogenschijnlijk de Rabobank terecht.

Op deze site werd gevraagd (persoonlijke) gegevens in te vullen.

Nadat slachtoffers hun gegevens hadden ingevuld, werden zij gebeld door een beschaafd Nederlands sprekende vrouw, die zich voordeed als medewerkster van de Rabobank. In de telefoongesprekken vroeg de 'medewerkster' om de inlog- en signeercodes van het internetbankieren van de Rabobankrekening van de slachtoffers.

Nadat de codes waren verkregen, werd ingelogd op de Rabobankrekening van de slachtoffers en werd het saldo bekeken. Vervolgens zochten de fraudeurs op internet naar dure goederen, met name horloges en auto’s. Hierna werd door een vrouw per e-mail en/of per telefoon contact gelegd met een juwelier of een autohandelaar. De vrouw informeerde naar te koop aangeboden horloges of auto's en kondigde aan dat geld zou worden overgemaakt voor de aanschaf van deze goederen. Ook werd vermeld dat de betaalde goederen door een familielid, werknemer of iemand anders opgehaald zouden worden.

De rekeninghouders werden vervolgens opnieuw gebeld door de vrouw die zich voordeed als ‘medewerkster van de Rabobank’ met wie zij eerder contact hadden gehad. Weer werd om de inlog- en signeercodes gevraagd. Zodra die werden verkregen, werd ingelogd op de internetrekening van de slachtoffers en werd via een (spoed)overboeking geld overgemaakt naar de reeds benaderde juwelier of autohandelaar.

Na de overboeking werd weer contact opgenomen met de leveranciers om te verifiëren of het geld ontvangen was en om afspraken te maken met betrekking tot het ophalen van de bestelde en betaalde goederen.

Uit de aangiftes van de Rabobank blijkt voorts dat de bestelde en betaalde goederen kort na de overboeking werden opgehaald. De ophalers (ook wel katvangers genoemd) legitimeerden zich bij de juweliers.

Gebleken is dat er vanaf 14 november 2014 - nadat de branchevereniging van juweliers een waarschuwing had laten uitgaan naar hun leden - nauwelijks nog gebruik gemaakt werd van juweliers als ontvangers van het onrechtmatig overgeboekte geld. De werkwijze leek te zijn aangepast; verschillende autohandelaren hadden onrechtmatig overgeboekt geld ontvangen en in het contact met de autohandelaren werden de namen van slachtoffers gebruikt, in plaats van de namen die ook als werden gebruikt voor de ‘medewerkster van de Rabobank’. Bij de autohandelaren lieten de katvangers de bestelde en betaalde auto's op hun naam zetten. In enkele gevallen bleek geld te zijn overgemaakt voor de aanschaf van andersoortige goederen of werd het saldo direct overgeboekt naar bankrekeningen van katvangers.

Uit de aangiften van de Rabobank blijkt ook dat de rekeninghouders en leveranciers werden gebeld met telefoonnummers en telefoons die slechts voor een korte periode en voor specifieke onderdelen van de phishing activiteiten gebruikt werden. Soms werden ook katvangers aangestuurd met deze telefoons en telefoonnummers.

Strafoplegging

Verdachte is als katvanger ingezet door een organisatie die zich gedurende een langere periode, op grote schaal en op professionele wijze bezighield met “phishingfraude”. De organisatie heeft door middel van deze vorm van oplichting misbruik gemaakt van de onwetendheid en het vertrouwen van veel rekeninghouders. Zij heeft op slinkse wijze de beschikkingsmacht over bankrekeningen van een aantal klanten van de Rabobank verkregen en geld overgemaakt naar bankrekeningen van - vooral - juweliers en autohandelaren om kostbare horloges en dure auto’s aan te schaffen. verdachte was één van de personen die werden ingezet om goederen die waren betaald met gephisht geld op te halen. Later heeft hij zelf andere katvangers ‘geronseld’ en heeft hij ook auto’s doorverkocht. In een klein aantal gevallen is het niet gelukt om het gephishte geld om te zetten in goederen. Dankzij oplettende juweliers, autohandelaren en medewerkers van de afdeling fraudebestrijding van de Rabobank konden overmakingen vanaf de betreffende rekeningen soms worden geblokkeerd of werden bestelde goederen soms niet afgeleverd aan verdachte of andere katvangers.

Verdachte heeft zich blijkens de bewezenverklaringen schuldig gemaakt aan elf keer witwassen in vereniging. Door zo te handelen heeft hij uiteindelijk vooral de betreffende rekeninghouders van de Rabobank ernstige en vaak blijvende schade berokkend. In deze zaak ging het om grote bedragen van vele (tien)duizenden euro’s die afhandig werden gemaakt van particulieren en midden- en kleinbedrijven, waarbij doorgaans niet alleen de betaalrekening, maar ook de spaarrekening werd geplunderd. De enorme impact die dit heeft gehad op de gedupeerden blijkt ook uit hun aangiftes en de toelichting bij de vorderingen die zij hebben ingediend. Verschillende gedupeerden hebben (nog steeds) slaapproblemen, kampen met schuldgevoelens en schaamte en een aantal van hen heeft zijn of haar volledige oudedagvoorziening zien verdampen.

Uit zijn eigen verklaring ter zitting is gebleken dat verdachte erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen (ter bekostiging van zijn verslaving), terwijl hij wist dat de activiteiten waarmee hij zich inliet niet door de beugel konden. Hij heeft daarbij op de koop toe genomen dat vele mensen hierdoor werden gedupeerd en heeft zich daardoor niet laten weerhouden. verdachte is ook niet gestopt uit mededogen met mogelijke benadeelden, maar omdat hij op enig moment zelf nadelige gevolgen ondervond van zijn criminele activiteiten en dit niet langer vond opwegen tegen het financiële voordeel dat hij ervan genoot.

De rechtbank constateert wel dat verdachte alle dagen van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig is geweest en dat hij - al bij de politie - verklaringen heeft afgelegd waarmee hij ook zichzelf als verdachte heeft belast. Hoewel de rechtbank vermoedt dat verdachte ten aanzien van zijn rol en wetenschap omtrent de herkomst van het geld waarmee de auto’s werden betaald niet het achterste van zijn tong heeft laten zien, weegt zij zijn proceshouding in zijn voordeel mee bij het bepalen van de strafmodaliteit.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 april 2019, waaruit blijkt dat hij na het plegen van de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten is veroordeeld voor mishandeling en bedreiging en voor een verkeersfeit en een tweetal overtredingen. Uit zijn strafblad blijkt verder dat verdachte niet recentelijk, maar alleen in het verleden is veroordeeld door diverse vermogensdelicten.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen bedrijf 18 (zaaksdossier 18), J.M. aangever 5 (zaaksdossier 19), N. aangever 13 (zaaksdossier 22), A. aangever 7 (zaaksdossier 23), E.C. van aangever 8 (zaaksdossier 24), voorletters alias 15 - aangever 14 (zaaksdossier 26), aangever 10 (zaaksdossier 28), aangever 16 (zaaksdossier 38), Coöperatieve Rabobank U.A. en M. aangever 12 (gevoegde zaak 09/837077-17, feit 4).

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen slachtoffer 6, aangever 19 en slachtoffer 7 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, nu de zaak waarin zij aangifte hebben gedaan niet op de tenlastelegging staat vermeld.

Wat betreft de vordering van de benadeelde partij bedrijf 20 C.V. heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van € 1.368,78 aan wettelijke rente over een betaling verricht aan een andere gedupeerde niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu deze is verdisconteerd in de wettelijke rente die over het hele schadebedrag is gevorderd.

De officier van justitie heeft ten aanzien van alle bovengenoemde vorderingen toewijzing van de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partijen reeds om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard dan wel afgewezen moeten worden. Daarbij is aangevoerd dat geen sprake is van rechtstreekse schade, nu de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben op de schade die is ontstaan door de oplichting, wat niet aan de verdachte ten laste is gelegd. Meer subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte geen onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens de benadeelde partijen, omdat hij hen geen geld afhandig heeft gemaakt.

Ten slotte is aangevoerd dat het zeer wrang en zeer onbillijk en onredelijk zou zijn als de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de geleden schade, terwijl degenen die de schade hebben veroorzaakt er met de buit vandoor gaan en de dans ontspringen. Dat geldt volgens de raadsman zeker nu de verdachte zijn medewerking heeft verleend aan het onderzoek en een toekomst probeert op te bouwen. De rechtbank vat dit laatste op als een beroep op matiging in de zin van artikel 6:109 BW.

Het oordeel van de rechtbank

Is sprake van rechtstreekse schade?

Ten aanzien van de vraag of de door de benadeelde partijen geleden schade kan worden beschouwd als het rechtstreekse gevolg van de bewezen verklaarde feiten (kort gezegd: witwassen en heling), overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt, is het belang dat de overtreden strafbepaling beoogt te beschermen, niet doorslaggevend bij de beantwoording van deze vraag. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt immers dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de bewezen verklaarde gedragingen en de door de benadeelde partij geleden schade om te kunnen vaststellen dat deze door de bewezen verklaarde gedragingen rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank acht van belang dat de (door oplichting verkregen) geldbedragen rechtstreeks van de rekening van de aangevers zijn overgeschreven op de rekeningen van juweliers c.q. (auto)bedrijven. In een aantal gevallen waarin juweliers en autohandelaren argwaan hadden, is niet tot afgifte van horloges of auto’s overgegaan. In die gevallen is ook geen schade ontstaan voor de rekeninghouders. Die schade is immers pas onomkeerbaar, wanneer het gephishte geld is omgezet in goederen. De ten aanzien van de verdachte bewezen verklaarde gedragingen zijn dan ook zodanig bepalend geweest voor het ontstaan van de schade van de gedupeerde rekeninghouders, dat deze schade moet worden gezien als het rechtstreeks gevolg van de ten aanzien van de verdachte bewezen verklaarde gedragingen.

De gevorderde immateriële schade

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat alleen recht bestaat op vergoeding van immateriële schade dan wel smartengeld in de limitatief in de wet opgesomde gevallen. In artikel 6:106 BW worden gevallen genoemd waarin vergoeding van immateriële schade c.q. smartengeld kan worden toegekend. Voor zover hier van belang is dat aan de orde indien:

a. de verdachte het oogmerk had om de betreffende schade toe te brengen;

b. de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van een aantasting in de persoon “op andere wijze”, zoals bedoeld in artikel 6:106 BW, kan sprake zijn indien is komen vast te staan dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Van dergelijk geestelijk letsel is, blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, in het algemeen eerst sprake wanneer de benadeelde partij lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in de onderhavige gevallen (telkens) een deugdelijke onderbouwing van de aard van de aantasting in de persoon, zoals bedoeld in artikel 6:106 BW, en het rechtstreekse verband met het bewezenverklaarde feit (kort gezegd: de oplichting). Een nadere onderbouwing van de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade en de nadere beoordeling daarvan door de rechtbank zouden een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen voor zover die zien op vergoeding van immateriële schade. Zij kunnen dat deel van hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de toegewezen vorderingen

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Nu de verdachte de bewezenverklaarde feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met zijn mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover een van de mededaders een benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens die betreffende benadeelde partij van zijn betalingsverplichting bevrijd.

Wettelijke rente

De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen vorderingen, die betrekking hebben op het geldbedrag dat door oplichtingshandelingen van de rekening van de benadeelde partijen is afgeschreven, telkens de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de datum waarop het geldbedrag van de rekening van de benadeelde partijen is afgeschreven, omdat vast is komen te staan dat de schade in elk geval met ingang van die datum is ontstaan.

Voor wat betreft de overige toegewezen kosten zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de datum waarop deze kosten zijn gemaakt.

Waar het om meerdere schadeposten gaat die gedurende een periode zijn ontstaan, zal de rechtbank een datum hanteren die in het midden ligt van de gehele periode waarin die schadeposten zijn ontstaan.

Proceskosten

Het voorgaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Matiging

Op grond van artikel 6:109 lid 1 BW kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen, indien toekenning van de volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden - waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht - tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De rechtbank ziet ten aanzien van de strafzaken tegen Medeverdachte 8, Medeverdachte 1 en verdachte aanleiding om de toekenning van de schadevergoedingen te matigen tot een derde van het bedrag waarvoor zij naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking de relatief beperkte rol die deze verdachten hebben vervuld bij het plegen van de strafbare feiten, in vergelijking met Medeverdachte 2, Medeverdachte 4 en Medeverdachte 3. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt immers dat Medeverdachte 8, Medeverdachte 1 en verdachte - nadat een frauduleuze overboeking had plaatsgevonden en het geld op de rekening van een juwelier c.q. autobedrijf was gestort - werden gebruikt als katvangers, waarbij zij telkens de horloges c.q. auto's ophaalden. Zij deden dit de ene keer in opdracht van Medeverdachte 3, de andere keer in opdracht van Medeverdachte 4. Verder is gebleken dat zij werden geïnformeerd en aangestuurd door Medeverdachte 2 en Medeverdachte 3.

Eindconclusie

Het vorenstaande brengt met zich mee dat de verdachte de volgende benadeelde partijen de hierna te noemen schadevergoeding moet betalen:

- bedrijf 18 een bedrag van € 13.133,33;

- J.M. aangever 5 een bedrag van € 15.831,46;

- N. aangever 13 een bedrag van € 16.426,40;

- A. aangever 7 een bedrag van € 726,15;

- E.C. van aangever 8 een bedrag van € 1.137,17;

- voorletters alias 15 - aangever 14 een bedrag van € 16.650;

- aangever 10 tot een bedrag van € 9.833,33;

- aangever 16 tot een bedrag van € 8.250;

- M. aangever 12 tot een bedrag van € 5.633,33.

In het dictum zal steeds per benadeelde partij en per schadepost worden bepaald met ingang van welke datum de wettelijke rente dient te worden berekend.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de toegewezen bedragen als hieronder in de beslissing vermeld, ten behoeve van de hiervoor genoemde slachtoffers. Nu de rechtbank in meerdere gevallen de schadevergoedingsmaatregel oplegt zal zij, indien de verdachte niet aan de betalingsverplichting voldoet, om redenen van billijkheid de vervangende hechtenis per maatregel bevelen voor ten hoogste 20 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF