Nietige dagvaarding voor gebruik identificerende persoonsgegevens, vrijspraak voor veranderen gegevens geautomatiseerd werk & OVAR voor smaadschrift

Rechtbank Amsterdam 20 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2124

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk. Verdachte heeft zonder toestemming beeldmateriaal van de computers van aangeefsters (en van een vriend van één van hen, waarop beeldmateriaal van die betreffende aangeefster stond) gekopieerd en dit vervolgens voor eigen doeleinden gebruikt. De afbeeldingen zijn daarbij gemanipuleerd. Dit beeldmateriaal is namelijk bewerkt door verdachte en/of heeft hij dit laten bewerken, waarna het bewerkte materiaal terecht is gekomen op verschillende pornografische websites, waardoor het lijkt alsof aangeefsters zelf op die websites staan. 

Geldigheid dagvaarding

De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat de dagvaarding wat betreft het onder 2 ten laste gelegde niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zij overweegt daartoe het volgende.

Krachtens artikel 261 Sv moet de tenlastelegging duidelijk, begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Uit de bewoording van het onder 2 ten laste gelegde volgt dat verdachte wordt beschuldigd van identiteitsfraude zoals strafbaar gesteld in artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze identiteitsfraude zou er – blijkens de tenlastelegging – in hebben bestaan dat verdachte:

“(…) na(a)m(en) en/of (delen van) foto('s) en/of filmpje(s) (met daarop voornoemde personen) (in combinatie met elkaar) op verschillende internetsites (waaronder naam 1 en/of naam 2 en/of naam 13 en/of naam 4 en/of naam 5 en/of naam 6 en/of naam 7 en/of naam 8 en/of naam 9 en/of naam 10 en/of naam 11 ) geplaatst en/of op twitteraccount(s) (waaronder naam 12 ) geplaatst en/of gebruik gemaakt van die voorgenoemde twitter account(s)en/of Skypeaccount.”.

Deze gedragingen kunnen echter – indien bewezen – niet leiden tot de conclusie dat sprake is van identiteitsfraude. De genoemde gedragingen lijken veeleer te zien op laster/smaad (artikel 261/262 Sr). Er is sprake van een discrepantie: het ten laste gelegde strafbare feit (het kwalificatieve deel van de tenlastelegging) komt niet overeen met de ten laste gelegde gedragingen (het feitelijke deel van de tenlastelegging). Dit maakt de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig. De rechtbank zal de dagvaarding daarom nietig verklaren voor feit 2.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsvrouw stelt zich ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Op grond van artikel 269 Sr vindt vervolging voor smaad niet plaats dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Een dergelijke klacht dient te worden gedaan binnen drie maanden nadat van het gepleegde feit kennis is genomen. Uit het dossier blijkt dat aangeefsters niet dan wel niet tijdig een klacht hebben ingediend.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het niet of niet tijdig indienen van een formele klacht geen beletsel vormt voor de vervolging. Aangeefsters hebben middels hun aangiften en ingediende vorderingen voldoende blijk gegeven van hun wens dat het Openbaar Ministerie de vervolging instelt tegen verdachte. Dat betekent dat aan (de strekking van) het klachtvereiste is voldaan.

De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van een (tijdige) formele klacht bij klachtdelicten niet zonder meer hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Naar huidig recht kan worden gesteld dat het voldoende is als komt vast te staan dat vervolging van verdachte de instemming geniet van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Daarbij is doorslaggevend of genoegzaam komt vast te staan dat het diens uitdrukkelijke wens is dat het Openbaar Ministerie vervolging instelt.

De rechtbank is van oordeel dat – in zoverre het dossier niet dan wel niet een tijdige formele klacht bevat – uit de vele aangiften en de verhoren die nadien met de aangeefsters hebben plaatsgevonden, kan worden afgeleid dat het de uitdrukkelijke wens is geweest van aangeefsters dat het Openbaar Ministerie de vervolging instelt tegen verdachte. Aangeefsters hebben immers telkenmale uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij willen dat de smaad stopt en dat de dader wordt opgepakt. De rechtbank acht de officier van justitie voor wat betreft het onder 4 ten laste gelegde daarom ontvankelijk in haar vervolging.

Conclusie

De dagvaarding is geldig ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van deze ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Waardering van het bewijs

De officier van justitie stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden op basis van de aangiften, de processen-verbaal van onderzoek naar de gegevensdragers en de bekennende verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde computervredebreuk nu geen sprake is van binnendringen. 
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde verzoekt de verdediging om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat het kopiëren van foto’s door middel van een USB-stick, alsmede het downloaden van foto’s van social-media-accounts niet tot gevolg hebben dat de desbetreffende foto’s tenietgaan, dan wel op een andere wijze blijvend worden aangepast. De gedragingen van verdachte corresponderen daarmee niet met wat de wetgever heeft beoogd strafbaar te stellen in artikel 350a Sr.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 

Onder 1 van de tenlastelegging wordt verdachte – kort gezegd – verweten dat hij de gezamenlijke computer van het studentenhuis ‘naam studentenhuis’ en/of de computers van aangeefsters benadeelde 1, benadeelde 2 en benadeelde 3 alsmede de computer van benadeelde 4 is binnengedrongen (artikel 138ab Sr). Van het in artikel 138ab Sr bedoelde ‘binnendringen’ is (onder meer) sprake indien men zich de toegang tot een computer verschaft door het aannemen van een valse hoedanigheid. Dat is hier het geval ten aanzien van de computers van benadeelde 1, benadeelde 2 en benadeelde 4. Verdachte heeft gebruik gemaakt van die computers na van hen verkregen toestemming; verdachte is daarbij echter verder gegaan dan tot waar de toestemming zich uitstrekte door foto’s van die computers af te halen en verder te gebruiken. Verdachte heeft op die manier computervredebreuk gepleegd met betrekking tot die computers.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de gezamenlijke computer van het studentenhuis ‘naam studentenhuis’ en de computer van aangeefster benadeelde 3 is binnengedrongen. Verdachte heeft verklaard van welke computers hij het beeldmateriaal van aangeefsters heeft gehaald, namelijk van de computers van benadeelde 1, benadeelde 2 en benadeelde 4. Hij ontkent dat hij enig beeldmateriaal van de gezamenlijk computer of de computer van aangeefster benadeelde 3 heeft gehaald. Nu verdachte een openhartige bekentenis heeft afgelegd ten aanzien van de door hem begane strafbare feiten en in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden die maken dat aan de juistheid daarvan moet worden getwijfeld, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van computervredebreuk met betrekking tot de gezamenlijke computer van naam studentenhuis en de computer van aangeefster benadeelde 3.
De rechtbank komt daarnaast tot een bewezenverklaring van een kortere pleegperiode dan ten laste is gelegd. Als einddatum van de bewezenverklaarde periode gaat de rechtbank uit van de datum waarop verdachte niet meer woonachtig was in het studentenhuis, nu niet is gebleken dat hij ook na die tijd toegang had tot de computers van aangeefsters en van benadeelde 4 Verdachte heeft verklaard dat hij tot augustus 2010 in het studentenhuis woonde. De pleegperiode ten aanzien van feit 1 zal daarom worden ingekort tot en met 30 september 2010.

Feit 3

Onder 3 van de tenlastelegging wordt verdachte – kort gezegd – beschuldigd van het veranderen, onbruikbaar en/of ontoegankelijk maken van computergegevens (artikel 350a Sr). Van genoemde gedragingen in de zin van artikel 350a Sr is enkel sprake indien de originele gegevens worden aangetast of gemanipuleerd. Dat is hier niet het geval. Verdachte heeft beeldmateriaal van aangeefsters overgezet (met een USB-stick) op zijn eigen computer. Ook heeft hij foto’s en filmpjes van hen gedownload van het internet. Verdachte heeft vervolgens deze kopieën bewerkt dan wel heeft hij deze laten bewerken. Dat betekent dat het originele beeldmateriaal (lees: computergegevens) door het handelen van verdachte onveranderd is gebleven. Dat dit beeldmateriaal vervolgens op andere internetsites is geplaatst, maakt dit niet anders. Hetgeen onder 3 is ten laste is gelegd kan aldus niet worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Feit 4

Tot slot wordt verdachte onder 4 van de tenlastelegging verweten dat hij opzettelijk de eer of goede naam van aangeefsters heeft aangerand door telastlegging van één of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven (artikel 261 Sr).
De telastlegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 Sr vereist een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van verdachte. In de tenlastelegging wordt de volgende gedraging genoemd:

“(…) op/via internet (op de website naam 1 en/of naam 2 en/of naam 13 en/of naam 4 en/of naam 5 en/of naam 6 en/of naam 7 en/of naam 16 en/of naam 8 en/of naam 9 en/of naam 10 en/of naam 14 en/of naam 15 ) meerdere (gemanipuleerde) foto('s) en/of filmpje(s), in elk geval afbeeldingen, geplaatst waarin die benadeelde 2 en/of benadeelde 3 en/of benadeelde 5 en/of benadeelde 1 en/of benadeelde 6 al dan niet met naam en toenaam worden genoemd (…).”.

Deze omschrijving behelst niet een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van verdachte. Uit deze omschrijving blijkt immers niet wat er is afgebeeld op de gemanipuleerde foto’s en/of filmpjes van aangeefsters. Daarmee is ook niet duidelijk waaruit de aanranding van de eer of goede naam heeft bestaan. Dat betekent dat de verweten gedragingen weliswaar kunnen worden bewezen, doch deze niet vallen onder enige strafrechtelijke bepaling. Verdachte zal van het onder 4 tenlastegelegde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafoplegging 

  • Veroordeling voor computervredebreuk tot een gevangenisstraf van 60 dagen waarvan 32 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF