Rechtbank: Marechaussee mocht onder dwang vingerafdruk afnemen om telefoon te ontgrendelen

Rechtbank Noord-Holland 14 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:11578

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke (verlengde) invoer van in totaal 639 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de informatie die in de smartphone van verdachte (merk: Samsung, type GM-G950F) is aangetroffen, moet worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe heeft de raadsman het volgende betoogd.

Het onderzoek aan de telefoon van verdachte is onrechtmatig geweest. Verdachte heeft de pincode van zijn telefoon niet vrijwillig gegeven, maar onder dreiging van fysieke dwang. Immers werd gedreigd onder dwang de vingerafdruk van verdachte te gebruiken om zijn telefoon te ontgrendelen. Enkel om het uitoefenen van fysieke dwang te voorkomen heeft verdachte de pincode van zijn telefoon gegeven. Nu de pincode van de telefoon is verkregen als gevolg van het uitoefenen van ongeoorloofde pressie, is er sprake van handelen in strijd met het Nemo Tenetur beginsel en dient dit als onherstelbaar vormverzuim te worden beschouwd. Als gevolg van dit vormverzuim kan de door verdachte gegeven verklaring (het noemen van de pincode) alsmede de als rechtstreeks gevolg daarvan verkregen vruchten (de resultaten van het onderzoek in de telefoon) niet worden gebruikt voor het bewijs. Maar ook de Samsung zelf is onrechtmatig doorzocht, aldus de raadsman. De doorzoeking daarvan met behulp van gespecialiseerde software is immers een meer dan beperkte inbreuk op de privacy van verdachte en daarvoor biedt artikel 94 Sv onvoldoende grondslag, zo betoogt hij.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de raadsman dat verdachte niet in volledige vrijwilligheid zijn pincode heeft gegeven juist is. De vraag die voorligt is of de Kmar, nadat toestemming was verkregen van de officier van justitie, tegen de zin van een verdachte zijn biometrische gegevens mocht gebruiken voor het ontgrendelen van een smartphone.

Handelen in strijd met art 2 A/B/C Opiumwet, waarvan verdachte werd verdacht, zijn feiten waarvoor voorlopige hechtenis kan worden toegepast (art 67 Wetboek van Strafvordering) en de invoer van harddrugs is een feit waarvoor maximaal 12 jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd. In het Wetboek van Strafvordering is niet voorzien in een specifieke regeling voor het ontgrendelen van smartphones door middel van biometrische toegangsverschaffing door een verdachte. Dit hoeft op zich niet in de weg te staan aan het toepassen van een bepaald opsporingsmiddel, zoals bekend biedt artikel 3 politiewet voor een aantal opsporingshandelingen voldoende basis. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de jurisprudentie over de inzet van de stille sms (Arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1569 ) en de imsi-catcher (arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1562).

Voorts bevat het Wetboek van Strafvordering specifieke regelingen voor de opgehouden (art 61a Sv) en in verzekering gestelde (art 62 Sv) verdachten. In art 61a Sv wordt geregeld dat de verdachte die wordt opgehouden voor onderzoek bij een verdenking van een misdrijf genoemd in art 67 Sv onder meer (de opsomming is niet limitatief) het bevel tot medewerking aan het afknippen/scheren van haren, het opnemen van lichaamsmaten en dragen van bepaalde kleding of vasthouden van attributen kan worden gegeven. Artikel 62 Sv ziet op de in verzekering gestelde verdachte, aan de bevoegdheden van artikel 61a Sv worden maatregelen toegevoegd met betrekking tot de wijze van vrijheidsbeneming. In artikel 62 Sv wordt bepaald dat deze maatregelen alleen met (mondelinge) toestemming van de officier van justitie kunnen worden opgelegd.

Ten tijde van de hierboven beschreven gebeurtenis was verdachte in de onderhavige zaak opgehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gehandeld in strijd met het Nemo Tenetur beginsel en was de Kmar bevoegd om – met toestemming van de officier van justitie – onder dwang de vingerafdruk af te nemen van verdachte teneinde de smartphone te ontgrendelen. Een dergelijk bevel is vergelijkbaar met het (onder dwang) afnemen van vingerafdrukken voor opsporingsonderzoek. Het gaat om biometrisch materiaal wat onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat en wat zonder zijn medewerking zou kunnen worden verkregen (hetgeen in geval van ontgrendeling van de telefoon door een wachtwoord anders is). De rechtbank neemt bij haar oordeel in aanmerking dat er een zwaarwegend belang bestond om de telefoon te ontgrendelen (nu verdachte werd opgehouden voor een ernstig strafbaar feit) en de inbreuk op de lichamelijke integriteit gering is. Dat verdachte uiteindelijk – en dus in zekere zin niet geheel vrijwillig – zijn wachtwoord heeft gegeven, maakt dan ook niet dat sprake is van een vormverzuim. Het verweer slaagt niet.

Verder is er evenmin grond om het onderzoek aan de Samsung onrechtmatig te achten. Als al sprake is van een meer dan geringe inbreuk op de privacy van verdachte, dan was de opsporingsambtenaar niet zelfstandig bevoegd om de Samsung te doorzoeken. In het onderhavige geval staat evenwel vast dat de officier van justitie toestemming heeft gegeven voor het onderzoek aan de Samsung, hetgeen voor dat onderzoek voldoende legitimatie biedt. Rechterlijke tussenkomst is daarvoor niet vereist (vgl. ECLI:NL:HR:2017:584).

Lees hier de volledige uitspraak.




Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF #overview { background: linear-gradient(to top left, #ebebeb 50%, #fff 50%); }