Veroordeling voor identiteitsfraude: het gebruik van de foto van een ander op social media accounts. Identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens.

Rechtbank Den Haag 20 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15097

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit ten aanzien van een groot deel van feit 1. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de aangevers hun klacht ex art. 66 Sr te laat hebben ingediend, namelijk niet binnen 3 maanden nadat de aangevers kennis hadden genomen van de feiten. Bij aangever slachtoffer 1 stond immers in zijn klacht een pleegperiode van 3 december tot en met 22 december 2015 vermeld, terwijl de klacht pas op 13 maart 2017 is ingediend. Bij aangever slachtoffer 2 stond in zijn klacht een pleegperiode van 1 oktober 2016 tot en met 1 maart 2017. Hoewel slachtoffer 2 op 13 maart 2017 een klacht heeft ingediend, blijkt uit diens verklaring volgens de raadsman dat hij met “bijnaam 1” al in oktober 2016 contact had en dat het contact met anderen pas in 2017 plaats heeft gevonden. Volgens de raadsman had slachtoffer 2 over het feit betreffende “bijnaam 1” eerder een klacht in moeten dienen dan in maart 2017, omdat dit zich reeds in oktober 2016 had afgespeeld. Aldus dient niet-ontvankelijkheid te volgen ter zake de gehele vervolging in de zaak van slachtoffer 1 en in de zaak van slachtoffer 2 voor de tenlastegelegde periode in 2016.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het formele vereiste van art. 66 Sv niet leidend is, omdat de wens tot vervolging van beide aangevers blijkt uit de aangifte.

Het oordeel van de rechtbank

Uit artikel 318, derde lid, Sr vloeit voort dat het misdrijf zoals dat is tenlastegelegd onder feit 1 niet wordt vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is. Op grond van art. 66 Sr dient een klacht gedurende drie maanden “na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit” te worden ingediend. Die termijn is fataal en een overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad heeft die fatale termijn zeer recent bevestigd (ECLI:NL:HR:2018:2242).

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de klacht van slachtoffer 1 te laat is ingediend. In de klacht heeft de aangever verklaard omtrent een pleegperiode van 3 december 2015 tot en met 23 december 2015. Dat maakt dat de vervaldatum voor het indienen van een klacht 24 maart 2016 betrof, terwijl de klacht eerst op 13 maart 2017 is ingediend. Dat maakt dat de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard voor zover feit 1 ziet op aangever slachtoffer 1.

Het oordeel van de rechtbank luidt anders voor de klacht van aangever slachtoffer 2. Voor de vraag of een klacht tijdig is ingediend, is de in de klacht vermelde pleegperiode leidend. In dit geval is dat 1 oktober 2016 tot en met 1 maart 2017. Een nadere toetsing van de in de klacht genoemde periode aan de hand van bewijsmiddelen dient dan niet meer plaats te vinden. De klacht van slachtoffer 2 van 13 maart 2017 is dan ook tijdig ingediend. De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer voor zover dat ziet op aangever slachtoffer 2.

Geldigheid van de dagvaarding ter zake van feit 2

De raadsman heeft de nietigheid van de dagvaarding ter zake van feit 2 bepleit. Daartoe is aangevoerd dat indien de tenlastelegging ziet op een verwijt ex art. 231b Sr de tekst “, niet zijnde biometrische gegevens” ontbreekt in de tenlastelegging van het bestanddeel “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” van art. 231b Sr. Voorts is de tenlastelegging volgens de raadsman innerlijk tegenstrijdig omdat de in de tenlastelegging opgenomen “foto’s” geen “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” zijn in de zin van art. 231b. Foto’s zijn volgens de raadsman biometrische kenmerken en/of biometrische persoonsgegevens in de zin van art. 231a Sr. Indien de tenlastelegging ziet op een verwijt ex art. 231a Sr is dat verwijt niet juist tenlastegelegd, aldus de raadsman. Partiële nietigheid wordt door de raadsman voorts bepleit omdat de tenlastelegging van feit 2 onvoldoende feitelijk is, nu daarin niet duidelijk wordt gemaakt welke daarin genoemde accounts met zowel verdachte als het slachtoffer 3 zijn te verbinden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer ziet op een bewijsvraag. Het verweer kan volgens hem dan ook niet tot nietigheid leiden doch slechts tot partiële vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat hetgeen waarover in het verweer wordt geklaagd ziet op bewijs- dan wel kwalificatievragen. Gelet op die omstandigheid en de omstandigheid dat naar het oordeel van de rechtbank de tenlastelegging voldoende duidelijk en feitelijk is, verwerpt zij het verweer.

Bewijsoverwegingen

Slachtoffer 2 heeft aangifte gedaan dat hij via een internetaccount een seksafspraak heeft gemaakt waarvoor hij heeft betaald, maar die persoon de afspraak niet is nagekomen. Voorts houdt zijn aangifte in dat hij naaktfoto’s heeft verstuurd aan een persoon die daarna dreigde die foto’s online te zetten. De verdachte wordt verweten dat zij achter beide gedragingen zit (feit 1).

Slachtoffer 3 heeft aangifte gedaan van het feit dat haar naam en foto door derden werd misbruikt op een aantal social media accounts. Deze identiteitsfraude wordt verdachte onder feit 2 tenlastegelegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zover feit 1 ziet op aangever slachtoffer 2 en voor feit 2. Daartoe is ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat voor zover slachtoffer 2 geld en Playstation-tegoed heeft gegeven aan de gebruiker van het account op naam van ‘bijnaam 1’ dat plaatsvond na de belofte van een pay-date. Van enige dreiging, laat staan afgifte als gevolg van die bedreiging was dus nimmer sprake. Ten aanzien van het account op naam van ‘bijnaam 2’ kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat de verdachte daarvan gebruik maakte. De enkele omstandigheid dat mogelijk dezelfde foto van een persoon voor dat account is gebruikt als voor het “accountnaam”-account maakt dat niet anders volgens de raadsman, omdat uit het dossier volgt dat meerdere (niet aan de verdachte te relateren) accounts gebruik hebben gemaakt van die foto.

Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat uit het dossier volgt dat geen enkel account (dat door de verdachte is gebruikt) gebruik heeft gemaakt van identificerende persoonsgegevens van slachtoffer 3. Voorts zijn volgens de raadsman foto’s geen “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens”. Dat zijn biometrische kenmerken en/of biometrische persoonsgegevens in de zin van art. 231a Sr, aldus de raadsman.

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1: slachtoffer 2

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van hetgeen onder 1 ten aanzien van aangever slachtoffer 2 is tenlastegelegd. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit het dossier volgt dat aangever slachtoffer 2 in oktober 2016 een betaling heeft verricht en een code van een Playstationkaart heeft verstuurd aan de gebruiker van een social media account op naam van ‘bijnaam 1’. Voor zover de verdachte daarmee geld en een goed heeft afgestaan is van belang dat die betalingen zijn geschied onder de belofte van een pay-date (afspraak voor betaalde seks). Uit het dossier volgt echter niet dat die afgiften vooraf zijn gegaan en zijn geschied vanwege enige bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaarmaking van een geheim, zoals wel is tenlastegelegd.

Voor zover uit het dossier wel volgt dat dergelijke bedreigingen nadien (in januari 2017) hebben plaatsgevonden door een gebruiker van een ander social media account is slachtoffer 2 nimmer tot afgifte overgegaan. Omdat enkel de voltooide afgedwongen afgiften (en niet de pogingen daartoe) ten laste zijn gelegd kan het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde (voor het deel ten aanzien waarvan het Openbaar Ministerie ontvankelijk was).

Feit 2

Slachtoffer 3 heeft op 20 december 2016 aangifte gedaan van belaging/identiteitsfraude. Zij heeft verklaard dat haar naam en foto’s zonder toestemming door (een) derde(n) wordt/worden gebruikt op social media accounts als Twitter en KIK. Een account dat gebruik maakte van haar foto was “accountnaam”. Die was volgens aangeefster het meest actief, zelfs nog tot de week voor de aangifte.Als haar profielfoto op Facebook door haar werd aangepast werd ook op het twitter-account van “ accountnaam ” die nieuwe foto van haar geplaatst.De aangeefster heeft voorts contact gekregen met een onderzoeksjournalist bij RTL. Na een confrontatie tussen RTL en de verdachte in december 2016 was het misbruik van de gegevens van slachtoffer 3 voorbij.

Vanuit het RTL-contact heeft een privédetective onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek blijkt volgens de politie onder meer het volgende:

- het KIK-profiel van accountnaam maakt gebruik van de foto van slachtoffer 3;

- op 11 oktober 2016 heeft gebruiker “gebruikersnaam” een reactie gekregen vanaf dat Kik-account voor een pay-date;

- de gebruiker van het KIK-account vraagt geld over te maken naar een rekening op naam van de verdachte;

- vervolgens zegt de gebruiker van het KIK-account onder meer tegen “gebruikersnaam” dat zij aangifte gaat doen jegens “gebruikersnaam” ter zake pedofilie;

- vervolgens vraagt de gebruiker van het KIK-account aan “ gebruikersnaam ” om bol.com bonnen voor haar te kopen.

De verdachte, die in Zeist woont, heeft bij de politie verklaard dat zij het account accountnaam gebruikt op Twitter en KIK. Aan dat account had zij het e-mailadres e-mailadres of e-mailadres gekoppeld. De foto bij het Twitterprofiel “ accountnaam ” had zij van google.com gehaald en later als profielfoto gebruikt.Geconfronteerd met de omstandigheid dat de foto van slachtoffer 3 was gebruikt heeft de verdachte verklaard dat zij dat had gedaan voor het profiel “ accountnaam ”. Dat was die foto die zij op google had gevonden en later als profielfoto had gebruikt. Ook herkende de verdachte “accountnaam”.Verdachte zegt zich te kunnen herinneren dat dergelijk gebruik van foto’s op accounts is begonnen in 2014.

Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de verdachte de foto van slachtoffer 3 heeft gebruikt op social media profielen om haar eigen identiteit te verhullen en daarmee de identiteit van slachtoffer 3 te misbruiken. Dat de verdachte de naam van slachtoffer 3 heeft gebruikt, zoals is ten laste gelegd, volgt echter niet uit het dossier.

Indien misbruik wordt gemaakt van de identiteit van een ander door foto’s van die ander te gebruiken op social media accounts om pay-dates aan te bieden, kan daaruit volgens de rechtbank ernstig nadeel ontstaan voor de persoon die op de foto is afgebeeld. Dit blijkt reeds uit de aangifte van slachtoffer 3, waaruit volgt dat haar eer en goede naam werd aangetast door het misbruik van haar foto. Ook werd haar bewegingsvrijheid ernstig aangetast doordat zij bang was om de mannen die hadden betaald voor een pay date maar die nooit een seksafspraak hadden kregen, tegen te komen op straat.

Verweer omtrent de foto’s en “biometrische gegevens”

Naar het oordeel van de rechtbank kan het verweer van de raadsman – dat foto’s geen “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” zijn – in dit geval niet tot vrijspraak leiden.

Dit volgt uit de omstandigheid dat de opsteller van de tenlastelegging de tekst “, niet zijnde biometrische gegevens” niet heeft opgenomen in de tenlastelegging (ter zake de “identificerende persoonsgegevens”). Dat maakt dat voor een bewezenverklaring slechts hoeft komen vast te staan dat de foto’s uit het dossier “identificerende persoonsgegevens” zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat foto’s daaraan voldoen. De rechtbank verwerpt het verweer dan ook voor zover dat ziet op de bewijsvraag.

Desalniettemin is de rechtbank zich bewust dat het verweer van de raadsman wel de vraag raakt of het bewezenverklaarde gekwalificeerd kan worden. De rechtbank zal het verweer hierna in paragraaf 6 (de strafbaarheid van het bewezenverklaarde) dan ook verder beoordelen.

Conclusie

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde feit onder 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zoals weergegeven.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat foto’s geen “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” zijn in de zin van art. 231b, maar biometrische kenmerken en/of biometrische persoonsgegevens in de zin van art. 231a Sr.

Gezien de omstandigheid dat de tekst “niet zijnde biometrische gegevens” ontbrak in de tenlastelegging, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het verweer ertoe leidt dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd en of het dus strafbaar is.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit strafbaar is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de wetgever geen definitie of (limitatieve) opsomming heeft gegeven van “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens”. Evenmin heeft de wetgever beschreven wat daar niet onder valt. De rechtbank stelt voorts vast dat de jurisprudentie daar ook geen (eenduidig) antwoord op geeft.

Voor de vraag of foto’s “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” (kunnen) zijn zoekt de rechtbank dan ook voor aansluiting bij de Verordening 2016/679 van het Europese Parlement en de Raad, d.d. 27 april 2016.

Definitie 14, onder artikel 4 uit die Verordening luidt als volgt:

„biometrische gegevens”: persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeeldingen of vingerafdrukgegevens;

Overweging 51 uit die verordening luidt onder meer als volgt:

… aangezien foto's alleen onder de definitie van biometrische gegevens vallen wanneer zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken.

Gelet op voorgaande definitie en overweging uit voornoemde verordening is de rechtbank van oordeel dat foto’s onder de definitie van biometrische (persoons)gegevens kunnen vallen, maar enkel als zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken.

Uit het dossier volgt dat door de verdachte privé vrijetijds foto’s van slachtoffer 3 bij door haar gebruikte social media profielen zijn geplaatst. Op die foto‘s was het hoofd en een deel van het bovenlichaam van slachtoffer 3 te zien. Naar het oordeel van de rechtbank kan van dergelijke foto’s niet worden gezegd dat zij zijn verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken.

Dat leidt tot de conclusie dat de onderhavige foto’s dus wel kunnen worden aangemerkt als “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens”. Daarmee is ook voldaan aan de kwalificatie van art. 321b Sr.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Bewezenverklaring

  • opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om haar identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan

Strafoplegging

  • taakstraf van 160 uren

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF