Bedreiging? Door verdachte gemaakt en online geplaatst computerspel waarin aangevers figureren als schietschijven.

Hoge Raad 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:24

De verdachte is bij arrest van 3 maart 2016 door het hof Amsterdam vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en wegens bedreiging (feit 2), veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de inleidende dagvaarding nietig verklaard voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde feit en het openbaar ministerie ter zake van het onder 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, voorts het volgende overwogen:

"Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het opzet van de verdachte er niet op gericht was dat het spel de aangevers zou bereiken. Er is ook geen sprake van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft het spel op een afgeschermd, niet geïndexeerd gedeelte van zijn website geplaatst. De kans dat het spel gevonden zou worden door iemand die niet van het bestaan van het spel af wist is zeer gering en dus niet aanmerkelijk te noemen.

(...)

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het spel een satirisch karakter heeft en derhalve niet als bedreigend kan worden aangemerkt.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat heeft betoogd dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend dient te worden bewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van voorwaardelijk opzet bij de verdachte. De verdachte heeft het spel immers op internet geplaatst en aan anderen laten zien. Door aldus te handelen heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat het spel de aangevers zou bereiken.

Het oordeel van het hof

Op 13 maart 2013 kwam aangever betrokkene 2 er achter dat op de website http://www. naam bedrijf aangevers.cu.cc/ een computerspel online stond met als titel ' naam bedrijf aangevers massacre IV '. In het spel waren poppetjes te zien met daarop foto's van de gezichten van aangevers betrokkene 1, betrokkene 2 en betrokkene 3. De bedoeling van het spel was voornoemde poppetjes neer te schieten. De verdachte heeft toegegeven het spel te hebben gemaakt, maar heeft ontkend het op bovengenoemde, voor het publiek toegankelijke, website te hebben geplaatst. De verdachte heeft immers verklaard dat hij het spel op een afgeschermd gedeelte van zijn eigen website (www.....nl) heeft geplaatst en niet te weten hoe het spel op de eerstgenoemde website terecht is gekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij het spel aan een aantal mensen heeft laten zien welke in het verleden met betrokkene 1 en betrokkene 2 hebben samengewerkt, door de verdachte aangeduid als 'lotgenoten'. De verdachte heeft voorts verklaard dat wanneer iemand de specifieke URL kende waarop het spel te vinden was, het spel (publiekelijk) toegankelijk was. Een wachtwoord was in een dergelijk geval niet vereist. In andere gevallen was het moeilijk, zo niet onmogelijk het spel te vinden.

Door het spel aan verschillende personen te laten zien heeft de verdachte het spel voor deze personen vindbaar en dus toegankelijk gemaakt, nu er verder geen wachtwoord of iets dergelijke vereist was. Door de website aan deze personen te tonen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het spel via (een van) hen bij betrokkene 1, betrokkene 2 en/of betrokkene 3 terecht zou komen. Temeer nu de verdachte wist dat deze specifieke personen een (al dan niet negatieve) zakelijke relatie met de aangevers hebben gehad.

(...)

De teksten en afbeeldingen en met name het doel van het spel, zijn van dien aard dat zij een bedreigend karakter hebben. Het voorgaande in samenhang bezien met de omstandigheid dat tussen de verdachte en de aangevers een zakelijk geschil bestond, maakt dat het hof van oordeel is dat bij betrokkene 1, betrokkene 2 en betrokkene 3 de redelijke vrees kon ontstaan dat daadwerkelijk op hen geschoten zou worden. Dat het spel volgens de verdediging een satirisch karakter heeft doet hieraan niet af."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsvoering van het Hof niet zonder meer kan volgen dat de verdachte betrokkene 1 en betrokkene 2 en betrokkene 3 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Beoordeling Hoge Raad

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448).

Het Hof heeft vastgesteld - kort gezegd - dat het door de verdachte gemaakte computerspel met als titel ' naam bedrijf aangevers massacre IV ' online stond, dat de in de bewezenverklaring genoemde teksten en afbeeldingen op pagina's die werden gebruikt binnen dat spel waren geplaatst, dat de bedoeling van het spel was om poppetjes en konijnen met daarop foto's van de gezichten van de aangevers betrokkene 1, betrokkene 2 en betrokkene 3 neer te schieten en dat tussen de verdachte en die aangevers een zakelijk geschil bestond.

Zonder nadere motivering die ontbreekt is het kennelijke oordeel van het Hof dat bij de aangevers in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat daadwerkelijk op hen zou worden geschoten en dat zij daarbij het leven zouden kunnen verliezen, niet begrijpelijk.

Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Conclusie AG: contrair

7. Het middel valt uiteen in drie klachten die betrekking hebben op de motivering van de bewezenverklaring. Allereerst wordt geklaagd dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd voor zover deze inhoudt dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gepleegd dat bij de bedreigden de vrees kon ontstaan dat zij het leven konden verliezen. Voorts wordt geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat bedreigd is met enig misdrijf tegen het leven gericht. De derde klacht is dat onvoldoende is gemotiveerd dat verdachte het opzet had dat de slachtoffers op de hoogte zouden geraken van de bedreiging.

8. Vooropgesteld dient te worden dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Een bedreiging kan niet alleen plaatsvinden door gesproken of geschreven woorden, maar de kern van de bedreiging kan ook uit iets anders - een gedraging - bestaan. Denk aan een gebaar met een vinger langs de keel, het toezenden van een brief met een poeder of het toezenden van een brief met een afbeelding van een schietschijf met in de roos een foto van een mens. Een bedreiging kan dus geheel of gedeeltelijk bestaan uit woorden en/of uit enige andere gedraging. De context van de uiting kan betekenis hebben.

9. Op zich zelf niet onmiddellijk bedreigende woorden en/of gedragingen kunnen in een bepaalde context pas bedreigend worden. Denkbaar is ook dat door de context woorden dreigender worden. Al met al gaat het dus om de vraag of woorden en/of gedragingen al dan niet in een bepaalde context kunnen worden aangemerkt als bedreigend, of nog wat anders gezegd, of gelet op de aard van de bedreiging en/of de omstandigheden in redelijkheid gezegd kan worden dat iemand de stuipen op het lijf worden gejaagd. Bij op zichzelf bedreigende bewoordingen kan de context ook relativerend zijn. “Ik schiet je dood” is geen bedreiging in de context van de spelsituatie, zoals bij paintball. Relativering van een practical joke lijkt niet eenvoudig, omdat ook dan nog geldt dat in redelijkheid kan worden gezegd dat door de ‘grap’ de stuipen op het lijf zijn gejaagd.

10. Niet bepalend is of het slachtoffer ook daadwerkelijk de stuipen op het lijf zijn gejaagd. Het gaat om de ervaring van de gemiddelde mens en als iemand zich werkelijk door niets laat intimideren kan nog wel degelijk sprake zijn bedreiging. Evenmin is beslissend of de bedreiger het misdrijf waarmee hij dreigt ook daadwerkelijk wil uitvoeren. Veelal zal dat helemaal niet zijn bedoeling zijn, maar ook dan is de persoonlijke vrijheid - en dat is het rechtsgoed wat in art. 285 Sr wordt beschermd - van het slachtoffer wel degelijk aangetast. Het voornemen van een verdachte om het misdrijf waarmee wordt gedreigd te realiseren is dus niet van belang.

11. Ten eerste klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat de teksten en afbeeldingen en met name het doel van het spel van dien aard zijn dat zij een bedreigend karakter hebben in de zin van art. 285 Sr onbegrijpelijk is.

12. Ik wijs er op dat na het eerste gedachtestreepje onder meer is bewezenverklaard “Shoot them” terwijl daarnaast bewerkte foto’s van de slachtoffers staan. Mij lijkt het niet onbegrijpelijk daaruit af te leiden dat op die slachtoffers moet worden geschoten en dat in het bijzonder gelet op de gekozen bewoordingen de redelijke vrees kan ontstaan dat zij het leven zullen verliezen. Ik lees daarin noch in de overige bewoordingen van de beginpagina niet zonder meer dat het slechts om een ‘spelletje’ gaat, zoals de steller van het middel (schriftuur onder 9) verdedigt. Of verdachte zich iets kan voorstellen bij het ontstaan van de vrees doet er voor het karakter van de bedreiging op zich niet toe. Naar mijn inschatting zullen in het huidige tijdsgewricht heel veel personen die met dergelijke woorden worden geconfronteerd reeds daardoor inderdaad de stuipen op het lijf worden gejaagd.

13. De onder het tweede en derde streepje bewezenverklaarde omstandigheden relativeren het voorgaande geenszins. Integendeel. Uit de onder het derde gedachtestreepje bewezenverklaarde blijkt dat het bedreigende karakter (in de loop van het) spel niet minder wordt gelet op de woorden ‘shoot them motherfockers’ en ‘reload and shoot some more’. Dat gelet op het bewezenverklaarde onder het tweede gedachtestreepje in het kader van het spel poppetjes en konijntjes met een foto van het gezicht van de slachtoffers zijn afgebeeld die met een muisklik kunnen worden neergeschoten, maakt niet onmiddellijk dat er slechts sprake is van een goede grap waartegen de slachtoffers bestand moeten zijn, omdat die niet serieus is te nemen. Zelfs als het spelelement louter grappig bedoeld beoogt te zijn, valt daardoor het bedreigende karakter niet weg. De gemiddelde mens zal er niet door gerust gesteld worden. Denkbaar is misschien eerder dat de gedachte postvat dat iemand die zoveel creativiteit investeert er wat voor over heeft. In dit licht is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat aan het bedreigende karakter geen afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat het spel volgens de verdediging satirisch van aard is.

14. Ik wijs er nog op dat anders dan de steller van het middel kennelijk meent het er niet om gaat dat wordt vastgesteld dat op grond van het spel is te verwachten dat de bedreiging ook in het echt wordt uitgevoerd. In de kern is de eerste klacht reeds kansloos omdat deze wordt gestoeld op dit onjuiste uitgangspunt. Als ik het goed begrijp meent de steller van het middel verder nog dat het bedreigende karakter ontbreekt gelet op de omstandigheid dat geen sprake is van een persoonlijk, maar een zakelijk conflict en omdat er nimmer een fysieke confrontatie heeft plaats gehad. Mij lijken die omstandigheden die nu in cassatie naar voren worden gebracht niet van betekenis. Eerder wijst een ter zitting van het hof van 18 februari 2016 ter sprake gebracht emailbericht van verdachte op het tegendeel nu daarin bewoordingen worden gebruikt als ‘stompen voor de kop’ (tegenover een van de slachtoffers). Dergelijke bewoordingen horen niet bij een zakelijk conflict. Als er wel een fysieke confrontatie was geweest, had dat er vermoedelijk slechts toe geleid dat nog een feit aan de dagvaarding was toegevoegd.

15. Voorts bevat het middel als tweede afzonderlijke klacht dat niet begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat aangevers zijn bedreigd met ‘enig misdrijf tegen het leven gericht’, omdat uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van aangevers niet volgt waarmee zij zich bedreigd voelden. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is de vrees daarvoor teweeg te brengen. In zoverre faalt het middel eveneens.

16. Tot slot klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de bedreiging in het licht van hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 februari 2016 blijkt dat de verdachte - voor zover hier van belang - het volgende heeft verklaard:

“Ik heb het spel op mijn eigen website op een afgeschermd gedeelte geplaatst. Ik had een wachtwoord voor dat gedeelte. Uiteindelijk heeft het spel zijn weg gevonden naar een openbare site. Ik heb dit destijds al aangegeven bij de politie, maar zij hebben niets met deze informatie gedaan. Men moet van de specifieke URL op de hoogte zijn om bij het spel te kunnen komen. Als je de URL niet weet, kan je het ook niet vinden. Als je de URL zou weten, zou het mogelijk zijn de bestanden te vergaren en elders te plaatsen. Een URL is echter een random tekenreeks. De kans dat je daar zomaar op komt, zonder op de hoogte te zijn van de specifieke combinaties, is kleiner dan de kans op het winnen van de staatsloterij. Het valt te vergelijken met een brief die verborgen ligt bij een specifieke boom op de Veluwe. Ik heb het spel aan een aantal lotgenoten van mij laten zien. Er waren ongeveer vier mensen die van het spel wisten. Zij hebben er hard om gelachen. naam bedrijf aangevers heeft veel mensen benadeeld. U houdt mij voor dat ik, door het te laten zien aan anderen, niet de enige was die het spel kon vinden. Dat klopt, maar hoe ver wil je gaan? Tot wanneer kan het mij worden aangerekend? Ik ben nog steeds niet degene die het spel voor publiek toegankelijk heeft gemaakt. Ik kan daarvoor ook niet verantwoordelijk worden gehouden. Er waren mensen met een eigen afgeschermd gedeelte op mijn website. Zij hadden daarvoor een eigen wachtwoord. Zij konden met dat wachtwoord niet bij het afgeschermde gedeelte waarop ik het spel had geplaatst.”

17. Ik begrijp de klacht zo dat deze zich enkel richt tegen het oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het spel bij aangevers terecht zou komen. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het hof de verklaring van verdachte in de hiervoor onder 6 weergegeven bewijsoverwegingen heeft gedenatureerd. Gelet op het feit dat verdachte heeft verklaard dat “als je de URL zou weten, zou het mogelijk zijn de bestanden te vergaren en elders te plaatsen” en over de kans dat de URL zomaar wordt gevonden heeft verklaard dat deze “kleiner is dan de kans op het winnen van de staatsloterij”, heeft het hof door te overwegen dat “verdachte heeft verklaard dat wanneer iemand de specifieke URL kende waarop het spel te vinden was, het spel (publiekelijk) toegankelijk was en dat het in andere gevallen moeilijk, zo niet onmogelijk was het spel te vinden” aan de verklaring van verdachte geen wezenlijk andere betekenis gegeven. In zoverre faalt de klacht.

18. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte het spel aan verschillende personen heeft laten zien en is op basis daarvan tot het oordeel gekomen dat verdachte het spel voor deze personen vindbaar en dus toegankelijk heeft gemaakt nu verder geen wachtwoord of iets dergelijks was vereist. Dat oordeel is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Vervolgens is het hof tot het oordeel gekomen dat verdachte door de website aan deze personen te tonen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het spel via (een van) hen bij aangevers terecht zou komen. Gelet op het feit dat het spel door verdachte online op een website is gezet en het spel vervolgens heeft laten zien aan personen die een (al dan niet negatieve) zakelijke relatie met aangevers hebben gehad, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarmee heeft het hof immers tot uitdrukking gebracht dat het belang hechtte aan de omstandigheid dat de personen aan wie verdachte het spel heeft laten zien niet volstrekt willekeurige personen betroffen, maar personen die eveneens een zakelijke relatie met aangevers hebben gehad. Aldus bevat het arrest voldoende gegevens die duidelijk maken dat en waarom het hof bewezen heeft geacht dat de verdachte zich er bewust van is geweest dat het spel bij aangevers terecht zou kunnen komen.

19. Het hof heeft in het bestreden arrest in het midden gelaten of verdachte het spel op zijn eigen website www.....nl heeft geplaatst en/of dat hij het spel op de website heeft geplaatst waar aangevers het spel hebben aangetroffen (http://www. naam bedrijf aangevers.cu.cc/). De stelling dat het hof had moeten vaststellen wat de exacte URL is geweest kan ik niet volgen, nu in feitelijke aanleg gesteld noch gebleken is dat de URL dusdanig lang is geweest dat het onmogelijk was deze te onthouden. In zoverre faalt de klacht eveneens. Ik stel vast dat de klacht omtrent het voorwaardelijk opzet van verdachte voor het overige vooral de selectie en waardering van het bewijs betreft, hetgeen is voorbehouden aan de feitenrechter. Over de beslissing inzake die selectie en waardering kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd.

20. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF