De inzet van de GPS-tracker op basis van artikel 3 Pw

In juni 2017 schreef J. Geurts samen met collega mr. F.A.W. Ashouwer over de inzet van de GPS-tracker op grond van artikel 3 Politiewet 2012 (Pw). Hierbij werd eveneens ingegaan op de inzet van het plaatsbepalingsmiddel gericht op personen die nog geen verdachte zijn in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv).2 In een relatief kort tijdsbestek hadden diverse rechtbanken en gerechtshoven zich uitgelaten over de rechtmatigheid van de inzet van de GPS-tracker. Omdat in deze jurisprudentie duidelijk een casuïstische benadering naar voren kwam, was een eenduidig juridisch kader niet zonder meer te vinden. Om die reden hebben wij ons in het artikel verdiept in een mogelijk juridisch kader waarbij is onderzocht of de GPS-tracker kan worden ingezet op basis van artikel 3 Pw en of dit mogelijk is tegen personen die geen verdachte zijn. Uiteindelijk werd geconcludeerd dat bij de beoordeling over de rechtmatigheid van de inzet van de GPS-tracker een materiële en formele toets dient plaats te vinden. De materiële toets ziet op de vraag of niet meer dan een beperkte inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de betrokkene. Bij de inzet van de GPS-tracker kunnen diverse (o.a. softwarematige) beperkingen worden aangebracht die ervoor zorgen dat de inbreuk op de privacy beperkt blijft. Indien de inbreuk beperkt is, is de inzet op grond van artikel 3 Pw onder omstandigheden toegestaan. Die omstandigheden hangen grotendeels samen met de formele toets: hoe komt de inzet tot stand? Bij de beantwoording van deze vraag dient vooral gekeken te worden naar de beheersbaarheid en integriteit van de opsporing waarbij een grote rol speelt of de Officier van Justitie toestemming heeft gegeven voor de inzet.

Het thema blijft ook in 2018 actueel. In februari van dit jaar heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over dit onderwerp in de zaak Ben Faiza/Frankrijk een arrest gewezen. Gelet op de eerdere publicatie in het TPWS verdient dit arrest een nadere analyse om te bezien of de conclusies van het EHRM voor de Nederlandse strafvordering gevolgen hebben. Hierbij dient met name te worden stilgestaan bij de vraag of het juridisch kader waarbinnen in de Nederlandse strafvordering de GPS-tracker kan worden ingezet, beïnvloed wordt door het arrest Ben Faiza/Frankrijk. In deze specifieke zaak is namelijk door het EHRM bepaald dat gelet op artikel 8 EVRM de inzet van een GPS-tracker op grondslag van een algemene wettelijke bepaling onrechtmatig is, ondanks dat slechts een beperkte inbreuk op het privéleven wordt gemaakt.

Lees verder:


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF #overview { background: linear-gradient(to top left, #ebebeb 50%, #fff 50%); }