Hof betrekt ottz bij oordeel dat telastelegging kinderporno voldoende feitelijk is

Gerechtshof Amsterdam 9 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1777

Aan de verdachte is tenlastegelegd het bezit van een tiental kinderpornografische afbeeldingen. De steller van de tenlastelegging heeft er voor gekozen om niet elke (of enkele) afbeelding(en) op geïndividualiseerde wijze gedetailleerd te beschrijven, maar om te volstaan met beschrijving van de inhoud van de afbeeldingen in algemene termen, gebundeld in twee categorieën. In de tenlastelegging is verwezen naar de gegevensdrager waarop de afbeeldingen zijn aangetroffen.

Op de dagvaarding is als mededeling van de officier van justitie opgenomen dat de betreffende afbeeldingen ter voorkoming van strafbare feiten en verdere verspreiding niet in het dossier zijn gevoegd en evenmin in afschrift zullen worden verstrekt, dat de officier van justitie op de terechtzitting voorbeelden van de afbeeldingen aanwezig zal hebben en dat voorafgaand aan de terechtzitting, op afspraak met de officier van justitie, inzage in de afbeeldingen kan worden verleend. Het hof heeft geconstateerd dat de gewraakte afbeeldingen inderdaad niet in het procesdossier zijn gevoegd.

In het dossier is geen proces-verbaal opgenomen waarin de betreffende afbeeldingen geïndividualiseerd zijn beschreven. Het dossier bevat wel een zogeheten collectiescan, waarin diverse categorieën kinderporno zijn omschreven en waarin de – naar het inzicht van de betrokken (zeden)rechercheurs – op de afbeeldingen van toepassing zijnde categorieën zijn aangekruist.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de rechtbank de geldigheid van de dagvaarding ambtshalve aan de orde gesteld. De rechtbank heeft de officier van justitie – zo begrijpt het hof – in overweging gegeven om ter verfeitelijking van de afbeeldingen een aanvullend proces-verbaal op te laten maken en aan het procesdossier toe te voegen. De officier van justitie heeft dit niet noodzakelijk geacht. De officier van justitie heeft toen wel aangeboden om de betreffende afbeeldingen ter terechtzitting te tonen, teneinde voor de verdachte en de rechtbank inzichtelijk te maken waar het verwijt op ziet. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat de rechtbank op dit aanbod is ingegaan.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij niet weet op welke afbeeldingen de tenlastelegging betrekking heeft noch waar het (kinder)pornografische karakter van de afbeeldingen uit bestaat.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de dagvaarding vervolgens nietig verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat onvoldoende feitelijke invulling is gegeven aan de omschreven seksuele gedragingen die op de foto’s zouden zijn afgebeeld en dat de omstandigheid dat de betreffende afbeeldingen op de terechtzitting kunnen worden getoond, dit niet anders maakt.

Tegen dit vonnis heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft het hof, na daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal, (achter gesloten deuren) alle afbeeldingen ingezien. Ook de verdachte is in de gelegenheid gesteld om alle afbeeldingen te bekijken, hetgeen hij ook heeft gedaan. De verdachte heeft daarbij de geschatte leeftijd van de personen (meisjes) op de afbeeldingen betwist en gezegd dat deze allen 18 jaar of ouder zijn.

Hierop heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de dagvaarding ten onrechte nietig heeft verklaard. Zij heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen.

De verdachte heeft het standpunt ingenomen dat de dagvaarding nietig is, omdat in afwijking van jurisprudentie van de Hoge Raad geen enkele afbeelding is omschreven.

Beoordeling door het hof

De tenlastelegging strekt er toe voor de procesdeelnemers – zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen (vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3322). In de zaak die leidde tot evengenoemd arrest, die anders dan de onderhavige zaak ziet op grootschalig bezit van kinderporno, overwoog de Hoge Raad dat uit artikel 261 Sv in die gevallen voortvloeit dat de tenlastelegging met het oog op de benodigde duidelijkheid voor in het bijzonder de rechter en de verdachte ten aanzien van elk van de ten laste gelegde afbeeldingen hetzij een voldoende concrete beschrijving dient te bevatten, hetzij de vindplaats van die beschrijving in het dossier dient te vermelden.

Naar het oordeel van het hof kan in zaken als de onderhavige, waarin het om kleinschalig bezit gaat, niet uit de jurisprudentie van de Hoge Raad worden afgeleid dat elke afbeelding concreet dient te worden beschreven of dat naar de vindplaats in het dossier dient te worden verwezen. Dat neemt niet weg dat als in het onderliggende dossier een gedetailleerde beschrijving van de afbeeldingen, of vermelding van de bestandsnamen en/of de locatie op de gegevensdrager waar de afbeeldingen zijn aangetroffen, ontbreekt, bij de verdachte en de rechter bij deze wijze van ten laste leggen onduidelijkheid kan ontstaan over de vraag op welke afbeeldingen de tenlastelegging ziet. Het is niet ondenkbaar dat – onder omstandigheden – zulke onduidelijkheid gevolgen kan hebben voor de geldigheid van de dagvaarding.

Het hof constateert dat in de onderhavige zaak inderdaad onduidelijkheid is ontstaan over de vraag op welke afbeeldingen de tenlastelegging ziet.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld kan het tonen van de afbeeldingen – zijnde stukken van overtuiging – ter terechtzitting wel degelijk bijdragen aan het wegnemen van die onduidelijkheid. Met het door de advocaat-generaal aan de verdachte en het hof ter terechtzitting in hoger beroep tonen van alle verweten afbeeldingen is de onduidelijkheid in dit geval daadwerkelijk weggenomen. Daarbij neemt het hof verder in aanmerking dat in de tenlastelegging reeds was opgenomen op welke gegevensdrager de litigieuze bestanden zouden zijn aangetroffen, dat het om een beperkt aantal van 10 afbeeldingen gaat en, met betrekking tot de verdachte in het bijzonder, dat deze op de terechtzitting in hoger beroep bij het tonen van die afbeeldingen direct in staat was om duidelijk te maken of hij de afbeeldingen herkende en om stellingen te betrekken over de leeftijd van de daarop zichtbare persoon of personen. en dat hij na het tonen van de afbeeldingen niet langer heeft gesteld dat hem niet duidelijk was waar het verwijt op ziet.

Het hof overweegt verder dat aan de wettelijke termen "seksuele gedraging" en "plegen van ontuchtige handeling" weliswaar onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, maar dat een beschrijving van de afbeeldingen in de twee categorieën als in de onderhavige zaak, wel voldoende feitelijk kan worden geacht (vgl. HR 28 september 2004, NJ 2004/684).

Anders dan de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat de inleidende dagvaarding, bezien in het licht van het verhandelde op de terechtzitting in hoger beroep, een voldoende feitelijke opgave bevat van hetgeen de verdacht wordt verweten en dus voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv stelt. De inleidende dagvaarding is derhalve geldig, zodat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd. Nu de rechtbank de hoofdzaak niet heeft beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, zal het hof – nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep terugwijzing heeft verlangd – de zaak terugwijzen naar de rechtbank Noord-Holland.

Ten overvloede overweegt het hof als volgt. In aansluiting op hetgeen dit hof eerder (Hof Amsterdam 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4435) heeft overwogen verdient het óók in zaken waarin verdachten kleinschalig bezit van kinderpornografisch materiaal wordt verweten verreweg de voorkeur dat de tenlastelegging wordt ingekleed op de wijze zoals de Hoge Raad in het hierboven vermelde arrest van 17 november 2015 heeft geschetst. Indien het openbaar ministerie in deze zaken desalniettemin volhardt in de wijze van ten laste leggen als hier aan de orde, is het ter voorkoming van onduidelijkheid over het verwijt aan de verdachte sterk aan te bevelen om het dossier aan te vullen met een proces-verbaal inhoudende de bestandsnamen en -locatie van de verweten afbeeldingen en/of met een proces-verbaal waarin de afbeeldingen meer specifiek worden beschreven. Het hof geeft het openbaar ministerie één en ander nogmaals nadrukkelijk in overweging.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en verklaart de inleidende dagvaarding geldig. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Noord-Holland ter zake van het ten laste gelegde, teneinde met inachtneming van dit arrest en op grondslag van de bestaande dagvaarding recht te doen.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF #overview { background: linear-gradient(to top left, #ebebeb 50%, #fff 50%); }