Artikel: Opsporing in de digitale wereld: het onderzoek van in beslag genomen gegevensdragers

Indien een voorwerp ter waarheidsvinding in beslag is genomen, dan mag dit voorwerp met het oog op datzelfde doel worden onderzocht. Zo mag bijvoorbeeld een inbeslaggenomen kogel in een moordonderzoek worden onderworpen aan ballistisch onderzoek, en mag een inbeslaggenomen handgeschreven notitie worden onderworpen aan een handschriftonderzoek. Dat onderzoek aan een inbeslaggenomen voorwerp is toegelaten, is door de Hoge Raad in diverse arresten bevestigd. Van belang is dat de Hoge Raad in zijn rechtspraak te kennen heeft gegeven, dat computers niet van de regel zijn uitgezonderd. Geldend recht is derhalve dat een computer (of meer algemeen: een geautomatiseerd werk) die ter waarheidsvinding in beslag is genomen, nader mag worden onderzocht.

Het uitgangspunt dat computers niet zijn uitgezonderd van de ‘onderzoeksbevoegdheid’ staat momenteel ter discussie. De aanleiding tot die discussie kan onder meer gevonden worden in een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit april 2015, waarin wordt overwogen dat de bevoegdheid tot onderzoek van eensmartphone tegenwoordig onvoldoende grondslag heeft in het Nederlandse recht, met als gevolg dat dergelijk onderzoek de toets van artikel 8 EVRM niet meer kan doorstaan. Deze uitspraak zet derhalve een streep door het uitgangspunt dat een inbeslaggenomen computer op grond van het geldende recht ter waarheidsvinding mag worden onderzocht. Opmerkelijk is dat deze opvatting niet door alle gerechten wordt gedeeld. Uit de rechtspraak blijkt dat diverse instanties geen enkele moeite hebben met het kunnen onderzoeken van een smartphone op grond van het huidige recht.

In deze bijdrage staat de vraag centraal of het geldende recht voldoende grondslag biedt voor het onderzoek van een inbeslaggenomen gegevensdrager, zoals een smartphone. Eerst zal stil worden gestaan bij het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden, dat vervolgens wordt afgezet tegen één van de uitspraken waarin dit type onderzoek expliciet wél is toegelaten. Daarna wordt de blik verlegd naar de opvattingen die op dit punt terug te vinden zijn in de ‘Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering’ en een daaraan voorafgaand ‘discussiestuk’ waarin aandacht wordt gegeven aan het onderzoek van inbeslaggenomen gegevensdragers. Vervolgens wordt nader ingegaan op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit mogelijk moet worden afgeleid dat voor inbeslagneming én onderzoek van (privacygevoelige) gegevensdragers steeds een voorafgaande rechterlijke machtiging is vereist. Uiteindelijk, in de laatste paragraaf, wordt in een korte uitleiding de balans opgemaakt.

Lees verder:


Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op Delikt & Delinkwent. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF