Veroordeling tot een werkstraf voor het medeplegen van Marktplaatsoplichting

Rechtbank Noord-Nederland 26 november 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:6401 

Verdachte heeft zich samen met een klasgenoot schuldig gemaakt aan (ten minste) acht gevallen van internetoplichting. Zij hebben telkens op Marktplaats één of meer iPods te koop aangeboden en, nadat de koop via e-mailberichten was bevestigd en het aankoopbedrag was betaald, de iPods niet geleverd. Door zo te handelen hebben zij niet alleen de kopers financieel benadeeld, maar hebben zij ook het vertrouwen in de handel via internet in het algemeen en de handel via Marktplaats in het bijzonder ernstige schade toegebracht. Door verschillende valse namen en woonplaatsen op te geven en gebruik te maken van een niet aan hen toebehorend bankrekeningnummer hebben zij het de kopers bewust moeilijker gemaakt deze gegevens te controleren en verhaal op hen te halen.

Zoals de verdediging terecht heeft aangevoerd, levert in de optiek van de rechtbank de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide verkoper die in staat en voornemens is de bij hem gekochte en aan hem vooruitbetaalde goederen te leveren, niet het aannemen van een valse hoedanigheid als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht op.

De rechtbank is echter van oordeel dat de valse hoedanigheid in dit geval niet alleen bestaat uit het zich in strijd met de waarheid voordoen als bonafide verkoper, maar tevens uit het als verkoper verstrekken van onbruikbare contactgegevens aan de wederpartij en het gebruiken van een niet aan verdachte en medeverdachte 2 te linken bankrekening. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte en medeverdachte 2 in alle acht gevallen een foutieve naam hebben opgegeven, te weten alias 2, alias 1, alias 3, alias 1, alias 3 en/of alias 4. Naar het oordeel van de rechtbank is het evident dat hier geen sprake was van een zogenaamde nickname, zoals de verdediging heeft aangevoerd, aangezien deze namen (ook) zijn opgegeven in het kader van de tenaamstelling van de rekening waarop de aankoopbedragen gestort moesten worden. Ook hebben verdachte en medeverdachte 2 in alle acht gevallen het rekeningnummer opgegeven van een rekening die niet aan hen toebehoort en daardoor niet aan hen te linken is. Daarnaast hebben zij in enkele gevallen een foutieve woonplaats opgegeven. Door het verstrekken van deze onbruikbare contactgegevens en door gebruik te maken van andermans bankrekening hebben verdachte en medeverdachte 2 bewust de mogelijkheden van de gedupeerde kopers om verhaal op hen te halen, bemoeilijkt. Ditzelfde geldt voor het verwijderen van de advertenties, nadat het aankoopbedrag was betaald. Daarom is de rechtbank van oordeel dat in deze gevallen wel sprake was van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwijst in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad van 11 november 2014.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte 2 de aangevers door hun handelen hebben bewogen het geld af te geven en dat zij daarbij het oogmerk hebben gehad zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Zodoende heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan het medeplegen van de acht ten laste gelegde gevallen van oplichting. Dit betekent dat de rechtbank de verweren verwerpt.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 140 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF