Oplichting en computervredebreuk: Via bestelaccount van ander zonder zijn toestemming goederen besteld. Bewijs gebaseerd op berichten teruggevonden in unallocated clusters en RAM-geheugen

Rechtbank Den Haag 9 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9676

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk en oplichting van het bedrijf bedrijfsnaam 2, waardoor de aangever (die de rekening wel heeft moeten betalen) voor een bedrag van ruim €2.000 is benadeeld. De verdachte heeft via het account en met de inloggegevens van de aangever goederen besteld bij bedrijfsnaam 2 en de bestelde goederen laten afleveren, kennelijk met de bedoeling deze door te verkopen. 
 

De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij aangever heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot €4.190,28 inclusief btw, ter zake van materiële schade en bestaande uit de posten:

a. Factuur bedrijfsnaam 2 €2.332,20 inclusief btw (€1.927,44 exclusief btw);

b. Factuur bedrijfsnaam 3 €1.458,78 inclusief btw (€1.205,60 exclusief btw);

c. Factuur bedrijfsnaam 1 €399,30 inclusief btw (€330 exclusief btw).

De benadeelde partij heeft tevens verzocht voornoemd bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij aangaande de posten a en c tot een bedrag van €2.731,50 inclusief btw, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor wat betreft post b, omdat op dit punt geen sprake is van rechtstreekse schade.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op het betoog de verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde. Ook subsidiair, bij bewezenverklaring van de feiten, heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering en daartoe het volgende naar voren gebracht. De benadeelde partij moet zich wenden tot bedrijfsnaam 2, omdat het systeem van bedrijfsnaam 2 kennelijk niet naar behoren functioneert of niet goed is beveiligd. Daarnaast is sprake van eigen schuld van de benadeelde partij omdat hij zijn wachtwoorden niet goed heeft beheerd. De verdediging heeft verder naar voren gebracht dat de btw-bedragen niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat de benadeelde partij in adres 4 aangifte had kunnen doen, zodat ook de reiskosten van adres 4 naar Leiden niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wellicht kan voor de tijd en moeite die de benadeelde partij heeft genomen naar schatting een bedrag van €50,00 worden toegewezen, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Hoewel de ten laste gelegde oplichting jegens de benadeelde partij zelf niet is bewezen, staat wel vast dat juist de benadeelde partij door dit feit is benadeeld. Hij heeft immers de factuur van bedrijfsnaam 2 betaald (post a). Ook staat vast dat de benadeelde partij vanuit zijn woonplaats adres 4 naar Leiden is gereden om daar onderzoek en aangifte te doen, waardoor hij benzinekosten heeft gemaakt en een halve dag niet heeft kunnen werken (post c). De gevorderde schade aangaande de posten a en c is voldoende onderbouwd en komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom deze gevorderde schade toewijzen, maar exclusief btw. Dit omdat de benadeelde partij deze als ondernemer terug kan krijgen van de belastingdienst. De vordering met betrekking tot de btw-bedragen zal dan ook worden afgewezen.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op post b, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze schade geen verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van €2.257,44 (€1.927,44 en €330).

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van €1.927,44 vanaf
10 augustus 2016 toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. De factuur van bedrijfsnaam 2 is gedateerd 10 augustus 2016 en de levering van de goederen heeft blijkens het bewijs van aflevering ook op die dag plaatsgevonden, zodat ervan kan worden uitgegaan dat ook op die dag de betaling door de benadeelde partij is gedaan. Daarnaast zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van €330 vanaf 11 augustus 2016 toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. Op de factuur is de datum 10 augustus 2016 genoemd, maar uit de aangifte van de benadeelde partij komt naar voren dat de benadeelde partij op 11 augustus 2016 van adres 4 naar Leiden is gereden om daar onderzoek en aangifte te doen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van €2.257,44, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van €1.927,44 vanaf 10 augustus 2016 en over een bedrag van €330 vanaf
11 augustus 2016, beide tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van aangever.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: oplichting
  • Feit 2: computervredebreuk
     

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 116 dagen voorwaardelijk

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF