Schuldheling bankpassen en e.dentifier bank: had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof?

Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:545

De verdachte is wegens “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen, waarvan 21 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte (ook) van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er een mogelijk alternatief scenario bestaat, waarin de eigenaar de bankpassen en de e.dentifier heeft verloren en dat deze door de verdachte zijn gevonden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat dit alternatieve scenario zeer onaannemelijk is. Dat een rechthebbende zowel de bankpasjes als een e.dentifier samen bij zich draagt en deze voorwerpen alle tegelijk verliest is hoogst onwaarschijnlijk. Ook het gedrag van de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding, het wegrennen en weggooien van de pasjes en de e.dentifier, is met dit scenario niet te rijmen. De verdachte heeft voormelde goederen op enig moment verkregen en niet van de rechthebbende. Op grond van de tenaamstelling van de pasjes had de verdachte moeten vermoeden dat er sprake was van goederen die van misdrijf afkomstig waren.

Het hof verwerpt het verweer.”
 

Middel

Het middel bevat twee bewijsklachten. De eerste richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling, terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de e.dentifier een door misdrijf verkregen goed betreft. Daarnaast wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de in de bewezenverklaring genoemde goederen, te weten bankpassen en een e.dentifier, door misdrijf zijn verkregen.
 

Conclusie AG

De eerste klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring genoemde e.dentifier een door misdrijf verkregen goed betreft. Ik meen dat deze klacht terecht is voorgesteld. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden niets in omtrent de criminele herkomst van de e.dentifier. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden, aangezien de Hoge Raad de bewezenverklaring op dit punt verbeterd kan lezen met weglating van de e.dentifier, zonder afbreuk te doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde. Deze klacht is dan ook tevergeefs voorgesteld.

De tweede klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde bankpassen, ik laat de e.dentifier hier buiten beschouwing, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Wil er sprake zijn van schuldheling in de zin van art. 417bis lid 1 onder a Sr, dan moet er bewijs zijn dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat het betreffende goed door misdrijf is verkregen. De vraag die in onderhavige zaak speelt is of de tenaamstelling van de bankpassen hiervoor voldoende aanknopingspunten biedt.

In de meeste jurisprudentie over schuldheling is er iets meer bekend over de omstandigheden waaronder de verdachte de beschikking heeft gekregen over het van misdrijf afkomstige goed, bijvoorbeeld door middel van aankoop. In dat soort gevallen bieden de zogenaamde vergewisplicht of onderzoeksplicht nadere handvatten.Als de verdachte bij een aankoop niet heeft dóórgevraagd dan kan dat worden aangemerkt als zodanig onvoorzichtig dat daarmee het redelijke vermoeden dat het goed door misdrijf is verkregen, kan worden aangenomen. De omstandigheden die tot een nader onderzoek verplichten moeten dan wel uit de bewijsvoering blijkenen uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat die aanmerkelijke onvoorzichtigheid niet snel wordt aangenomen. De rechtspraak is casuïstisch en de scheidslijn tussen situaties waarin de verdachte wel of geen schuldverwijt te maken valt, is niet altijd even helder te trekken. Het gaat erom of aangenomen kan worden dat ieder weldenkend mens argwaan zou moeten krijgen.

In de onderhavige zaak houden de bewijsmiddelen niet meer in dan dat de verdachte in beeld is gekomen bij een onderzoek naar de verkoop van harddrugs in Rotterdam (bewijsmiddel 4) en toen hij door een verbalisant naar zijn legitimatiebewijs werd gevraagd, hij het op een lopen zette waarbij hij vier bankpassen en een e.dentifier weggooide (bewijsmiddel 3 en 5). Deze bankpassen waren op naam van betrokkene 2 en betrokkene 1 gesteld en eerder buitgemaakt bij een inbraak in hun woning (bewijsmiddel 2).

Het hof heeft de tenaamstelling van de passen aangemerkt als de omstandigheid die de verdachte, toen hij deze passen op enig moment verkreeg, had moeten doen vermoeden dat sprake was van goederen die van misdrijf afkomstig waren. Is dat voldoende voor het aannemen van schuldheling? Voor de beantwoording van die vraag zoek ik aansluiting bij drie arresten die ook betrekking hebben op (schuld)heling van bankpassen.

Allereerst het arrest HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5702, NJ 2003/460. De verdachte had een creditcard en een bankpas aangetroffen in een kastje van een laptop die hij op de markt had gekocht. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de passen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, in stand. Het oordeel van het hof was gestoeld op de ongebruikelijke plaats waar de passen waren aangetroffen in een laptop en dat het algemeen bekend is dat deze bankpassen veelvuldig voorwerp van diefstal zijn. Door na het aantreffen van de passen niet direct een nader onderzoek in te stellen naar de herkomst daarvan, was de verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in zijn onder de gegeven omstandigheden geldende onderzoeksplicht. Hierdoor had de verdachte met de door schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid gehandeld. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.

Daarnaast wijs ik op twee zaken waarin het ging om opzetheling van bankpassen. Anders dan bij schuldheling, is daarvoor niet voldoende dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, maar of de verdachte dit wist. De drempel ligt dus hoger.

In de zaak die leidde tot HR 16 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8447 had de verdachte met een kort daarvoor ontvreemde creditcard geprobeerd af te rekenen. Deze kaart bood geen autorisatie voor de betaling en de verdachte had direct voorafgaand of bij haar aanhouding geprobeerd zich van de creditcard te ontdoen door deze ‘achteloos’ te laten vallen. Op basis van deze feiten en omstandigheden had het hof (kennelijk) aangenomen dat “de gedragingen van de verdachte, gezien haar reactie bij haar aanhouding die tot doel had te voorkomen dat zij in het bezit van de creditcard zou worden aangetroffen, voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat de verdachte bij het doen van haar aankoop in de wetenschap verkeerde te beschikken over een creditcard, die haar niet toebehoorde en die door misdrijf was verkregen en dat zulks ook het geval was ten tijde van het kort daarvoren voorhanden krijgen van die creditcard.” Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.

In het arrest HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9338 gaat het om een veroordeling door het hof voor opzetheling van verschillende bankpassen. Deze passen waren aangetroffen in een afgesloten kast op de slaapkamer van de verdachte. Mijn ambtgenoot Vegter wees er in zijn voorafgaande conclusie op dat de wetenschap van de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de passen in de bewijsvoering niet in het oog springt, maar dat degene die betaalpassen vindt in de regel beseft dat er een grote kans bestaat dat deze van diefstal afkomstig zijn. Hoewel de mogelijkheid bestaat dat de passen zijn verloren door de eigenaar, acht hij het een feit van algemene bekendheid dat de kans groot is dat een betaalpas in handen van een ander dan de rekeninghouder een gestolen pas betreft. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand en wees daarbij in het bijzonder op een getapt telefoongesprek van de verdachte dat licht deed schijnen op de wetenschap van de verdachte ten tijde van de verkrijging.

Ik heb geaarzeld over de toereikendheid van de bewezenverklaring in onderhavige zaak. Het pijnpunt zit er vooral in dat het hof niets heeft vastgesteld (of kunnen vaststellen) over de omstandigheden waaronder de verdachte de passen heeft verkregen. Desalniettemin meen ik dat de bewijsvoering voldoende inhoudt om te concluderen dat de verdachte (ook) ten tijde van het voorhanden krijgen van de bankpassen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze passen van misdrijf afkomstig waren. Ik ben het met mijn ambtgenoot Vegter in zijn hiervoor aangehaalde conclusie eens, dat iemand die betaalpassen in handen krijgt die op naam van iemand anders zijn gesteld, op dat moment moet beseffen dat de kans groot is dat die passen zijn gestolen. Uitgesloten kan worden dat de verdachte de passen heeft gevonden nadat de eigenaar deze heeft verloren, nu het hof heeft vastgesteld dat deze passen tijdens diens vakantie in de week voorafgaand aan de dag dat de verdachte de bankpassen in bezit had, uit zijn woning zijn ontvreemd. Weliswaar levert de omstandigheid dat de verdachte de passen tijdens zijn vlucht heeft weggegooid nog geen bewijs op dat hij ten tijde van de verkrijging van die passen de criminele herkomst ervan moest vermoeden, maar zonder betekenis is dit ook niet helemaal: kennelijk was de verdachte zich in ieder geval toen bewust van de criminele herkomst van de passen.Ik meen dan ook dat het hof er vanuit mocht gaan dat de verdachte vanwege de tenaamstelling van de passen op het moment van verkrijging had moeten vermoeden dat er sprake was van goederen die van misdrijf afkomstig waren en zich dus schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige conclusie.

 

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF