Openen kastdeur aan te merken als doorzoeking mede nu het zoeken specifiek gericht was op het geluid van een ‘locator’ die reageerde op de GPS-zender in de lok-Tomtom

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4853

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs. Zij heeft hiertoe, kort gezegd en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij de lok-TomTom niet gestolen heeft. Hij is samen met naam naar buiten gegaan om een jointje te roken. naam is weggegaan met een vriend en is later weer teruggekomen. Daarna zijn ze weer naar huis gegaan. Verdachte vermoedt dat naam de lok-TomTom bij hem in de kast heeft gelegd toen verdachte naar de wc was.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het licht van de bewijsmiddelen is het door de verdachte geschetste ‘alternatieve’ scenario niet aannemelijk geworden.
 

Vormverzuimen en artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

Namens verdachte is voorts aangevoerd dat in dit dossier sprake is van meerdere vormverzuimen.

a. er is geen machtiging door de rechter-commissaris verstrekt om tot doorzoeking van de woning van cliënt over te gaan. Er is sprake van een doorzoeking, nu een kledingkast door de verbalisanten is geopend. Verdachte had geen toestemming gegeven voor de doorzoeking. De verbalisanten hadden moeten wachten op de machtiging van de rechter-commissaris alvorens de kast te openen.

b. de verbalisanten die de woning van verdachte betraden hebben zich niet gelegitimeerd en hebben het doel van het binnentreden niet kenbaar gemaakt.

c. het proces-verbaal van bevindingen is onvolledig. Uit een getuigenverklaring volgt dat de verbalisanten eerst in een andere kamer hebben gezocht en dat zij in de kamer van verdachte binnen 2 minuten hadden gevonden wat zij zochten. Deze omstandigheden zijn niet vermeld in het proces-verbaal van bevindingen. Daardoor kan geen controle op het handelen van de verbalisanten plaatsvinden.

Volgens de raadsvrouw gaat het om ernstige vormverzuimen en is het huisrecht en daarmee het recht op privacy in de zin van artikel 8 EVRM in aanzienlijke mate geschonden. Dit moet tot gevolg hebben dat de processen-verbaal van bevindingen betreffende het aantreffen van de lok-Tomtom worden uitgesloten van het bewijs. Het bewijsmateriaal is immers uit het verzuim verkregen. Het aantreffen van de lok-Tomtom is het enige bewijsmiddel. Bij bewijsuitsluiting zal vrijspraak moeten volgen.

Subsidiair zouden de vormverzuimen tot strafvermindering moeten leiden.

Het hof oordeelt over dit verweer als volgt.

Het onderzoek van de verbalisanten is in gang gezet omstreeks 2.55 uur na de melding dat een lok-Tomtom uit een auto is weggenomen. Via het programma Intrace is de GPS uit deze navigatie te volgen en is gezien dat de route om 03.06 uur stopt bij het pand naam pand bij organisatie, zijnde een kamerbewoningspand van het Leger des Heils. Met een ‘locator’, een apparaatje waarmee precies is te bepalen waar de lok-Tomtom zich bevindt, gaan verbalisanten naar het pand. De hulpofficier van justitie naam hulpofficier van justitie heeft een machtiging tot binnentreden in een woning (naam pand) afgegeven. De verbalisanten worden binnengelaten door de heer getuige, nachtwaker van organisatie en vertellen hem dat een kamerbewoner mogelijk in bezit is van een gestolen lok-Tomtom. Deze getuige verklaart dat hij op verzoek van de verbalisanten met hen is meegelopen en dat ze met behulp van de ‘locator’ het signaal volgden. Eerst is het signaal uitgepeild in kamer kamernummer, maar toen het apparaat omhoog werd gehouden begon dit harder te piepen. Daarop zijn ze een etage hoger gegaan en is men om 03.40 uur uitgekomen bij kamer kamernummer, de kamer van verdachte. De politie klopte volgens deze getuige op de deur en maakte zich duidelijk kenbaar als politie. Verdachte antwoordde dat hij op het toilet was. Op verzoek van de verbalisanten heeft de getuige de deur geopend, waarna ze de kamer binnen zijn gegaan. De verbalisanten hebben zich niet jegens verdachte gelegitimeerd, aangezien ze in uniform waren. Volgens de getuige getuige zei de politie dat ze naar iets op zoek waren en dat het bij verdachte op de kamer moest liggen. Verdachte zei dat hij nergens van wist. Volgens de verbalisanten was het signaal in verdachtes kamer heel sterk. Bij een kledingkast sloeg het signaal uit en werd het bijna 1 lange pieptoon. De verbalisant leidde hieruit af dat de lok-Tomtom in deze kledingkast moest liggen. Daarop heeft verbalisant verbalisant de deur van de kledingkast geopend en de lok-Tomtom op een stapel kleding aangetroffen. Vervolgens is verdachte aangehouden.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verbalisanten in een aantal processen-verbaal van bevindingen hebben vermeld hoe de feitelijke gang van zaken is geweest. De verbalisanten zijn gericht op zoek gegaan met een daartoe geschikt middel (de ‘locator’) om de lok-Tomtom te vinden en hebben deze binnen een half uur na de diefstal in verdachtes kast aangetroffen.

Dat de politie in het proces-verbaal van bevindingen niet heeft vermeld dat men eerst in een andere (lege) kamer (kamernummer) in dit pand is geweest, ziet het hof niet als een vormverzuim en al helemaal niet jegens verdachte. De klacht (onder c.) over het ontbreken van een weergave van op welke wijze in die twee minuten is gezocht in de kamer van verdachte -zodat het handelen van de verbalisanten niet te controleren is- mist feitelijke grondslag. Beschreven is in de processen-verbaal en in de getuigenverklaring dat met de ‘locator’, het apparaat waarmee tot op de centimeter nauwkeurig kan worden bepaald waar het signaal vandaan komt, gericht is gezocht naar de lok-Tomtom.

Anders dan de raadsvrouw (onder b.) heeft aangevoerd hebben de verbalisanten wel het doel van het betreden van de kamer van verdachte kenbaar gemaakt, zo volgt uit het proces-verbaal en ook uit de verklaring van de getuige, de nachtwaker. Het enkele feit dat de verbalisanten zich onder de gegeven omstandigheden niet hebben gelegitimeerd jegens verdachte is weliswaar in strijd met artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden maar het is naar het oordeel van het hof gelet op de omstandigheden niet aan te merken als een ernstig vormverzuim.

Ten slotte: was het openen van de deur van de kledingkast aan te merken als een doorzoeking in de zin van artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering (onder a.)? Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is het openen van een deur inderdaad aan te merken als een doorzoeking. Het is immers meer dan alleen zoekend rondkijken. Nu er geen toestemming was van verdachte zou een machtiging van een rechter-commissaris nodig zijn geweest. In zoverre is er sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Bij de vraag of hieraan een rechtsgevolg moet worden verbonden neemt het hof alle omstandigheden in aanmerking, waaronder in het bijzonder dat de ‘locator’ exact kon aangeven waar de lok-Tomtom zich bevond. In zoverre is er welhaast sprake van ‘luisterend rondkijken’, in die zin dat de kastdeur het voorwerp wel aan het zicht, maar niet aan het gehoor onttrok. Het hof is van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat dit vormverzuim heeft plaatsgevonden, zonder dat daaraan consequenties moeten worden verbonden.

Het verweer dat dit moet leiden tot bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering wordt verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF