Kinderporno? Verdachte (kunstenaar) had een sekskrant en een grote hoeveelheid door hem gemaakte naaktfoto’s van minderjarige modellen in bezit.

Rechtbank Amsterdam 22 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3789

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een gewoonte maken van het in bezit hebben van 614 afbeeldingen, bestaande uit foto’s en negatieven, waarop kinderporno is afgebeeld.

De ver voor de strafbaarstelling van artikel 240b Sr door verdachte aangeschafte sekskrant bevat expliciet seksuele gedragingen waarbij een minderjarige is betrokken. Daarnaast heeft verdachte kinderpornografische afbeeldingen vervaardigd van minderjarige bekenden, waarmee de modellen destijds hebben ingestemd, en waar, naar de meeste modellen hebben laten weten, nog steeds achterstaan. Aannemelijk is geworden dat verdachte de afbeeldingen heeft gemaakt en in bezit heeft gehad met het oog op te maken kunstwerken. Daarbij is ook niet gebleken dat de afgebeelde minderjarigen of minderjarigen in het algemeen zijn geschaad door het handelen van verdachte.

Verder heeft verdachte strafbare materiaal verworven in een tijd dat dit niet strafbaar was en vervaardigd in een tijd waarin de maatschappelijke houding ten opzichte van kinderporno toleranter was. De kern van het verwijt dat aan verdachte gemaakt kan worden is dat hij niet tijdig is geweest met het weggooien van (inmiddels) strafbare kinderpornografische afbeeldingen.

Ten aanzien van 1 fotoserie acht de rechtbank wel bewezen dat sprake is van een seksuele strekking, maar in het concrete geval levert dit geen strafbaar feit op. Onder omstandigheden kan de strafbaarstelling van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht te ruim zijn geredigeerd (vgl. HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213) en dat is in dit geval ook zo. Verdachte wordt ten aanzien van deze fotoserie ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van 2 andere fotoseries en de sekskrant is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van strafbare kinderporno. Verdachte wordt daarvoor schuldig verklaard, maar de rechtbank legt geen straf op aan verdachte. De strafbare kinderporno wordt onttrokken aan het verkeer en de rest van de in beslag genomen goederen wordt teruggegeven aan verdachte.

Niet-ontvankelijkheid

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Volgens de raadsvrouw had in dit geval niet tot vervolging mogen worden overgegaan. In de eerste plaats omdat niet uit te leggen is waarom verdachte wel wordt vervolgd, daar waar andere kunstenaars van wie vergelijkbaar materiaal vrij verkrijgbaar is, niet worden vervolgd. Daarnaast is door het Openbaar Ministerie nooit goed naar het aangetroffen materiaal gekeken en is onvoldoende geluisterd naar wat verdachte daarover heeft te verklaren, waardoor onzorgvuldig is gehandeld. De vervolging van verdachte is dan ook in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Naar aanleiding van een melding over kinderporno heeft de politie het in beslag genomen materiaal in de woning van verdachte aangetroffen. Bevoegde zedenrechercheurs hebben vervolgens een groot deel van dit materiaal als kinderpornografisch gekwalificeerd.

Namens verdachte is op 17 oktober 2013 een brief gestuurd aan het Openbaar Ministerie waarin verzocht wordt om zo snel mogelijke een vervolgingsbeslissing te nemen en het in beslag genomen materiaal terug te geven, met uitzondering van een in beslag genomen sekskrant. Daarnaast heeft verdachte in die brief verzocht om een gesprek met de officier van justitie om een nadere toelichting te geven op zijn werken. Het Openbaar Ministerie heeft hierop gereageerd bij brief van 17 april 2014. In deze brief geeft het Openbaar Ministerie aan dat zij het materiaal als kinderpornografisch beoordeelt, het om die reden niet terug zal geven aan verdachte en ter terechtzitting zal vorderen dat het materiaal wordt vernietigd. De rechtbank constateert dat deze brief laat werd verzonden. Dit laat onverlet dat het standpunt van het Openbaar Ministerie vanaf dat moment kenbaar was voor verdachte.

Voorts is uitgangspunt dat het vervolgingsmonopolie bij het Openbaar Ministerie ligt. De officier van justitie heeft ter terechtzitting over het vervolgingsbeleid verklaard dat het opsporen en vervolgen van kunstenaars van wie het gemaakte werk naar de huidige maatstaven als kinderpornografisch moet worden aangemerkt, niet de hoogste prioriteit heeft, omdat het veelal om werk uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw gaat en de geportretteerden veelal kinderen of bekenden van de kunstenaar zijn en de schaarse capaciteit meestal besteed wordt aan schrijnender gevallen. Het Openbaar Ministerie heeft in deze zaak echter besloten te vervolgen, omdat het materiaal is aangetroffen naar aanleiding van een melding dat iemand geschokt was door wat hij bij verdachte aan de muur had zien hangen en het materiaal vervolgens door bevoegde rechercheurs als kinderpornografisch is beoordeeld, waardoor teruggave niet in de rede lag.

De rechtbank merkt op dat, gezien het standpunt van het Openbaar Ministerie dat zaken als de onderhavige niet de hoogste vervolgingsprioriteit hebben, een gesprek met de verdachte had kunnen bijdragen aan een meer afgewogen beslissing om in deze – zoals hierna nog nader aan de orde zal komen – a-typische kinderpornozaak toch over te gaan tot vervolging. Wellicht dat dan op voorhand geconstateerd had kunnen worden dat sprake is van een grote hoeveelheid en diversiteit aan in beslaggenomen foto’s, die voor het merendeel niet zijn aangemerkt als kinderpornografisch en derhalve in een vroeg stadium hadden kunnen worden teruggegeven.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting immers aangegeven dat het belangrijkste doel van het Openbaar Ministerie was, te voorkomen dat kinderpornografisch materiaal in omloop komt.

De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie er niet voor heeft gekozen om een dergelijk gesprek aan te gaan, levert echter niet een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde op, waardoor het belang van verdachte bij een eerlijk proces doelbewust of op grove wijze is veronachtzaamd. Ook is geen sprake van willekeur in de vervolging, nu de officier van justitie de criteria die doorslaggevend zijn geweest om toch verder te vervolgen duidelijk uiteen heeft gezet. Voor niet ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie bestaat dan ook geen grond. De omstandigheid dat het dagvaarden van verdachte vervolgens nog tot mei 2016 op zich heeft laten wachten, maakt dit op zichzelf niet anders. De rechtbank zal in het navolgende wel rekening houden met dit tijdsverloop.

Waardering van het bewijs

De officier van justitie is van mening dat het in beslag genomen materiaal dat door bevoegde zedenrechercheurs als kinderpornografisch is beoordeeld, ook als zodanig moet worden gekwalificeerd. Daarvoor acht zij het volgende van belang. Op de afbeeldingen staan de kinderen meestal in een studio-achtige omgeving, veelal in onnatuurlijke houdingen en met onnatuurlijke attributen. Verdachte had een regisserende rol, of had die kunnen nemen en heeft ervoor gekozen om in een aantal gevallen slechts een deel van het lichaam in beeld te brengen, waardoor de nadruk komt te liggen op de geslachtsdelen of de volstrekte naaktheid van het kind. De omstandigheid dat verdachte toestemming had van de modellen en/of hun ouders, maakt niet dat de afbeeldingen daarom niet strafbaar zijn. De officier van justitie acht een serie van foto’s in haar geheel kinderpornografisch, indien één of meer van de foto’s van die serie als kinderpornografisch zijn beoordeeld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat het in beslag genomen materiaal – met uitzondering van de sekskrant – niet kinderpornografisch is, zodat verdachte in zoverre moet worden vrijgesproken.

Daarvoor acht zij het volgende van belang. Er is geen sprake van duidelijk seksueel getinte houdingen waarbij de nadruk op de geslachtsdelen ligt, er is geen sprake van kleding die niet bij de leeftijd van de minderjarige past en er is geen gebruik gemaakt van seksattributen. De wijze van totstandkoming is ook niet zodanig dat daaruit een kennelijke seksuele strekking volgt.

Daarnaast heeft verdachte de foto’s gemaakt om die als model te gebruiken voor schilderijen. Uit het werk dat verdachte heeft gemaakt blijkt ook dat daarin in het geheel geen nadruk ligt op de geslachtsdelen. Het maken van kunstwerken vormt weliswaar geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten, maar gelet op artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting) wordt aan kunstenaars wel een zekere ruimte gegeven om shockerend of verontrustend werk te maken. Uit verklaringen van de (ouders van) modellen blijkt dat ook zij – ook na vele jaren – de gemaakte foto’s niet als kinderpornografisch beoordelen.

Ten aanzien van de sekskrant heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar de uitspraak onder nummer ECLI:NL:RBZLY:2010:BM9613, aangevoerd dat die door verdachte is verkregen op een moment dat het verkrijgen van kinderpornografisch materiaal niet strafbaar was gesteld. Nu het bezit van kinderpornografische afbeeldingen pas vele jaren later strafbaar werd gesteld, dient dat niet voor risico van verdachte te komen, zodat verdachte ook ten aanzien van de sekskrant moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de overige afbeeldingen die verdachte voor de strafbaarstelling van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in 1986 heeft vervaardigd, heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de latere strafbaarstelling niet voor risico van verdachte kan komen, zodat verdachte daarvan ook om die reden moet worden vrijgesproken.

Beoordeling rechtbank

Juridisch kader

Artikel 240b Sr stelt – voor zover van belang – strafbaar het in het bezit hebben van afbeeldingen van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken.

Met de strafbaarstelling wordt beoogd om minderjarigen te beschermen tegen seksueel misbruik dat bij het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal plaatsvindt en tegen het in omloop brengen van dit materiaal. Daarnaast dienen minderjarigen beschermd te worden tegen materiaal dat misbruik inhoudt of suggereert, omdat dit materiaal kan dienen om minderjarigen aan te moedigen of te verleiden deel te nemen aan seksueel gedrag en omdat hiermee een subcultuur die seksueel misbruik van minderjarigen bevordert of als normaal en acceptabel probeert voor te stellen, in stand wordt gehouden.

Verdachte heeft erkend dat hij op 17 januari 2013 het in beslag genomen materiaal in bezit had en dat op deze afbeeldingen veelal minderjarigen staan. Ten aanzien van de sekskrant heeft verdachte ook erkend dat in deze krant kinderpornografisch materiaal is weergegeven.

De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, betreft of het door verdachte zelf vervaardigde materiaal kinderpornografisch is.

De rechtbank dient in dit kader in de eerste plaats te beoordelen, of aan de bestanddelen van artikel 240b Sr is voldaan.

Hiertoe is de centrale vraag, of sprake is van afbeeldingen van een seksuele gedraging. Het gaat daarbij volgens de Hoge Raad (7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6446, r.o. 3.3) om een afbeelding van een gedraging van expliciet seksuele aard of om een afbeelding die weliswaar niet een gedraging van expliciet seksuele aard bevat, maar die, gelet op de wijze waarop zij tot stand is gekomen, eveneens strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Hierbij kan het gaan om een afbeelding van iemand in een houding of omgeving die weliswaar op zichzelf of in andere omstandigheden ‘onschuldig’ zou kunnen zijn, maar die in het concrete geval een onmiskenbare seksuele strekking heeft.

Indien geen sprake is van een gedraging van expliciet seksuele aard, zijn het karakter en de context van de afbeelding van belang voor de vraag of sprake is van een afbeelding van een seksuele gedraging. Bij het karakter van de afbeelding gaat het erom of sprake is van een afbeelding waarbij de minderjarige in een onnatuurlijke pose of in een duidelijk seksueel getinte houding is afgebeeld, of waarbij de nadruk wordt gelegd op de geslachtsdelen, of waarbij uit het totale beeld duidelijk is dat het gaat om de geslachtsdelen. Bij de context van de afbeelding wordt gelet op toegevoegde voorwerpen, kleding of attributen, wordt beoordeeld of sprake is van een omgeving waarin een minderjarige normaal niet verkeerd en wordt de wijze van tot stand komen van de afbeeldingen in ogenschouw genomen.

De rechtbank constateert dat zowel de officier van justitie als de raadsvrouw dit juridisch kader hebben betrokken bij hun standpunten of al dan niet aan de bestanddelen van artikel 240b Sr is voldaan.

De wijze van ten laste leggen brengt mee dat de rechtbank ten aanzien van het materiaal dat in fotomappen in beslag is genomen moet oordelen of de ten laste gelegde serie kinderpornografisch is. Blijkens voornoemd arrest van de Hoge Raad (r.o. 5.4) kan een zodanige samenhang bestaan wat betreft inhoudelijke kenmerken en/of de wijze van totstandkoming van het materiaal dat de hele serie als kinderpornografisch moet worden aangemerkt.

Het door verdachte vervaardigde materiaal

De rechtbank stelt voorop dat het algemene beeld dat uit het in beslag genomen materiaal naar voren komt is dat door het vervaardigen en het door verdachte in bezit hebben hiervan geen schade is toegebracht aan de afgebeelde minderjarigen, of aan minderjarigen in zijn algemeenheid.

Het in beslag genomen materiaal betreft foto’s die verdachte lange tijd geleden van zijn eigen kinderen heeft gemaakt, of van kinderen van familie of bekenden, waarbij de betrokkenen uit vrije wil poseerden. Het materiaal is derhalve veelal vervaardigd in een tijd waarin op een andere en minder beladen wijze werd aangekeken tegen naakte kinderen. Gebleken is dat door ouders en kinderen destijds ook toestemming voor het maken van de foto’s is gegeven. Verdachte heeft verklaringen van betrokken kinderen overgelegd waaruit blijkt dat deze – vele jaren later en inmiddels meerderjarig – nog steeds achter deze keuze staan. Daarbij is het materiaal alleen fysiek in de woning van verdachte aangetroffen en niet ook digitaal en/of op internet. Niet gebleken is dat het materiaal door verdachte zonder toestemming van de modellen is verspreid of aan derden getoond.

Vast staat dat verdachte, waar sprake is van naaktfoto’s van de kinderen, deze foto’s vrijwel allemaal heeft gemaakt om te gebruiken als model voor de werken die hij als kunstenaar maakt. Bij het in beslag genomen materiaal zijn ook schetsen te zien van mogelijke uitwerkingen en verdachte heeft de rechtbank ter terechtzitting werken laten zien die zijn gemaakt op basis van in beslag genomen materiaal. In dit werk zijn de geslachtsdelen van de modellen doorgaans bedekt en is van een seksuele strekking geen sprake. De omstandigheid dat een deel is vervaardigd in een studio-omgeving – hetgeen op zich een aanwijzing kan zijn voor een mogelijk kinderpornografisch werk– moet naar het oordeel van de rechtbank tegen deze achtergrond worden bezien. De rechtbank constateert overigens dat ook een deel van het materiaal is vervaardigd in een natuurlijke omgeving, zoals een camping.

De rechtbank constateert verder, dat op het merendeel van het in beslag genomen werk geen sprake is van – voor de leeftijd van het model – onnatuurlijke poses, of van onnatuurlijke attributen. Waar wel van dergelijke poses of attributen sprake is, worden deze grotendeels verklaard door de omstandigheid dat deze als model dienden voor later te vervaardigen werk zoals hiervoor aangegeven. De rechtbank acht aannemelijk dat deze foto’s zijn gemaakt in het kader van voorstudies ten behoeve van niet-seksueel getinte kunstwerken en dat met dit materiaal niet is beoogd om seksuele prikkels op te wekken. Dit geldt temeer, nu nagenoeg al het materiaal uit analoge foto’s bestaat, waarbij het pas na het ontwikkelen van de foto’s mogelijk is om te zien wat uiteindelijk in het beeld is gevangen. In die situatie valt niet uit te sluiten dat een afbeelding met een wat meer seksuele strekking als een ‘ongelukstreffer’ is aan te merken, zeker wanneer slechts één of enkele afbeeldingen binnen een serie een wat meer seksuele strekking hebben. Aannemelijk is dat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, alle foto’s en negatieven bewaarde en in die zin geen uitdrukkelijke keuze heeft gemaakt om bepaalde foto’s en negatieven al dan niet te bewaren. De rechtbank acht in dit verband tevens van belang te constateren dat verdachte in zijn woning nog een veelvoud aan mappen met foto’s van volwassen naakte modellen had liggen, en dat het in beslag genomen materiaal een door de politie gemaakte (beperkte) selectie van de totale verzameling van modellenfoto’s van verdachte betreft.

Verdachte heeft als maker van de afbeeldingen een zekere regie gehad of hij had die regie in elk geval kunnen hebben. De rechtbank acht het gelet op de aard van de afbeeldingen echter aannemelijk dat verdachte – voor zover hij de afbeeldingen heeft geregisseerd – dit heeft gedaan met het oog op het verkrijgen van een modelfoto voor het vervaardigen van zijn kunstwerken, en niet met de bedoeling om een seksuele gedraging vast te leggen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het merendeel van de afbeeldingen, hoewel op sommige daarvan een uitdagende houding door de modellen wordt aangenomen, geen seksuele gedraging als bedoeld in artikel 240b Sr weergeven. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van een zodanige context dat die afbeeldingen (daardoor) een onmiskenbare seksuele strekking hebben.

Ten aanzien van een groot deel van het in beslag genomen materiaal is de rechtbank aldus van oordeel dat deze afbeeldingen waarvan verdachte het bezit wordt verweten, niet vallen binnen het bereik van artikel 240b Sr, en met betrekking tot dat deel van de afbeeldingen zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

De uitzonderingen

De rechtbank is van oordeel dat een klein deel van het in beslag genomen materiaal dat door verdachte is vervaardigd wel moet worden beoordeeld als kinderpornografisch. Ten aanzien van die afbeeldingen is sprake van een dusdanige focus op geslachtsdelen en/of kleding dat daardoor de seksuele lading van de afbeelding wordt versterkt.

Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat ook deze afbeeldingen zijn vervaardigd door verdachte met het oog op te maken kunstwerken, is het resultaat van die afbeeldingen zodanig dat deze, in afwijking van hetgeen hiervoor werd opgemerkt, naar de huidige maatstaven geacht moeten worden een onmiskenbare seksuele strekking te hebben. Daarmee wordt op die afbeeldingen de grens van het toelaatbare zoals geformuleerd in artikel 240b Sr overschreden. Daarbij speelt mee dat de maatschappelijke houding ten aanzien van kinderporno nu en in 2013 minder tolerant is dan in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw, hetgeen ook tot uitdrukking komt in de strafbaarstelling van artikel 240b Sr in 1986 en de (forse) aanscherpingen daarvan in 1996 en 2002.

Deze kinderpornografische afbeeldingen maken telkens deel uit van een reeks afbeeldingen. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de afbeeldingen is de rechtbank van oordeel dat in deze gevallen sprake is van series die in het geheel als kinderpornografisch moeten worden aangemerkt.

De rechtbank is – nadat zij ter terechtzitting en in raadkamer kennis heeft genomen van het in beslag genomen materiaal – aldus van oordeel dat ten aanzien van de volgende series van foto’s en/of negatieven die door verdachte zijn vervaardigd sprake is van een zodanig onmiskenbare seksuele strekking, dat sprake is van een afgebeelde seksuele gedraging in de zin van artikel 240b Sr.

Het gaat om de foto’s en/of negatieven van ‘fotoserie aug/okt 1992’ (goednummer 4452103‑1, pag. 7-21), ‘fotoserie mei 1997’ (goednummer 4452103‑5) en ‘fotoserie 16 oktober 1993’ (goednummer 4452103‑6).

De sekskrant

De rechtbank acht ten aanzien van de sekskrant bewezen dat verdachte de daarin opgenomen kinderpornografische afbeeldingen in bezit heeft gehad. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het in bezit hebben (en het verwerven) van die afbeeldingen pas na het verwerven is strafbaar gesteld voor het risico van verdachte behoort te komen. Ten aanzien van deze afbeeldingen is sprake van evidente kinderporno waarbij duidelijk een minderjarige betrokken is. Daarmee verschilt de onderhavige zaak ook wezenlijk van de uitzonderlijke situatie in het vonnis van de rechtbank waarnaar de raadsvrouw heeft verwezen. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Voor zover hetzelfde verweer subsidiair is gevoerd ten aanzien van (een deel van) de door verdachte vervaardigde afbeeldingen, verwerpt de rechtbank het verweer eveneens. Verdachte wist als maker van de afbeeldingen dat hij die in bezit had, hij kende de modellen en wist steeds dat zij minderjarig waren. 

Er is dan ook geen sprake van een zodanig uitzonderlijke situatie dat het risico van de latere strafbaarstelling niet voor rekening van verdachte dient te komen.

Strafbaarheid van het feit

Nu de rechtbank ten aanzien van een deel van de tenlastelegging heeft geoordeeld dat aan alle bestanddelen van artikel 240b Sr is voldaan moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het gedrag van verdachte een strafbaar feit oplevert. Daarvoor is van belang dat de Hoge Raad in een recent arrest (9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213) heeft geoordeeld dat artikel 240b Sr te ruim is geredigeerd, in die zin dat deze bepaling ook gevallen bestrijkt waarin volgens de wetsgeschiedenis strafrechtelijke aansprakelijkstelling achterwege kan of dient te blijven. Relevante factoren voor het bepalen van dergelijke gevallen zouden daarbij in het bijzonder zijn de concrete gedraging van de verdachte, de leeftijd van de betrokkenen, de instemming van de betrokkenen en het ontbreken van enige aanwijzing voor een risico van verspreiding van de afbeelding(en) onder anderen dan de betrokkenen. De rechtbank moet dan ook de vraag onder ogen zien of het gedrag van verdachte, gelet op alle omstandigheden, van dien aard is dat het moet worden gekwalificeerd als het in het bezit hebben van kinderporno.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ten aanzien van ‘Fotoserie mei 1997’ ontkennend moet worden beantwoord. Op de foto’s staat de zestienjarige dochter van verdachte afgebeeld, samen met een achttienjarige vriendin. De dochter heeft hier destijds mee ingestemd en zij staat hier nog steeds achter. Niet is gebleken dat de afbeeldingen verder zijn verspreid of dat de dochter van verdachte door het vervaardigen en bewaren van de afbeeldingen is geschaad. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen strafbaar feit heeft gepleegd door het in bezit hebben van de foto’s van ‘fotoserie mei 1997’, zodat verdachte ten aanzien van deze fotoserie zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de overige bewezen verklaarde fotoseries en de sekskrant is de rechtbank van oordeel dat het in het bezit hebben van die afbeeldingen wel volgens de wet strafbaar is. Ten aanzien van die afbeeldingen is het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk geworden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF