Advocaat-generaal Hof van Justitie: data retentie kan onder voorwaarden weer worden ingevoerd

Conclusie AG HvJ EU 19 juli2016, ECLI:EU:C:2016:572; C‑203/15 en C‑698/15 (Tele2 Sverige tegen Post- och telestyrelsen)

In 2014 werd met de uitspraak van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken Digital Rights Ireland  en Seitlinger de Europese Dataretentierichtlijn nietig verklaard. De richtlijn eiste bewaring van telecommunicatie-metadata van vrijwel iedere EU-burger voor een periode van minimaal 6 tot maximaal 24 maanden. 

Het Hof van Justitie heeft met deze uitspraak voor het eerst wegens strijd met het EU Handvest voor de grondrechten een richtlijn in zijn geheel vernietigd. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de Uniewetgever met de vaststelling van de Dataretentierichtlijn de door het evenredigheidsbeginsel gestelde grenzen heeft overschreden die hij in het licht van de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 van het Handvest in acht dient te nemen. Het heeft geen beperking in de tijd aangebracht.

Volgens advocaat-generaal Saugmandsgaard Oe kan de bewaarplicht echter onder voorwaarden weer worden ingevoerd. Dat blijkt uit zijn conclusie van 19 juli jl. in de gevoegde zaken C‑203/15 en C‑698/15. 

Achtergrond van de zaak

Verzoekster deelt de dag nadat het HvJEU arrest heeft gewezen in zaak C-293/12 (Digital Rights Ireland) per brief aan de Zweedse toezichthouder PTS (verweerster) mede dat zij niet langer gegevens bewaart zoals vereist op grond van de Zweedse wet, en eerder bewaarde gegevens gaat wissen. Zij onderneemt deze actie omdat zij van mening is dat de Zweedse wet (tot omzetting RL 2006/24) niet verenigbaar is met het Handvest grondrechten. De Zweedse politie laat verweerster weten dat deze actie grote gevolgen heeft voor de opsporing. De Zweedse regering geeft opdracht de zaak te onderzoeken. De daartoe aangewezen Commissie komt tot de conclusie dat de Zweedse regelgeving niet in strijd met Europees recht en/of EVRM. Verzoekster ontvangt dan een bevel van verweerster vanaf 25-07-2014 tot gegevensbewaring over te gaan. Zij gaat tegen dat besluit in beroep, dat op 13-10-2014 wordt verworpen. De bestuursrechter oordeelt dat de Zweedse bepalingen inzake gegevensbewaring vallen onder de door artikel 15, lid 1, van RL 2002/58 geboden mogelijkheid om nationale wettelijke maatregelen te treffen ter beperking van de omvang van bepaalde in de richtlijn bedoelde rechten en plichten. Hij benadrukt dat arrest C-293/12 aldus dient te worden begrepen dat RL 2006/24 ongeldig is verklaard omdat de geconstateerde tekortkomingen van de RL, in hun geheel beschouwd, impliceren dat de RL niet voldoet aan het Unierechtelijke vereiste van evenredigheid van beperkingen van de rechten en vrijheden. Verzoekster stelt hoger beroep in bij de verwijzende rechter. Zij stelt dat de Zweedse regelgeving strijdig is met het EVRM en bijgevolg de Zweedse Grondwet. Zij acht de omvang van de bewaarplicht onevenredig. Daarnaast wijst zij op een ernstige tekortkoming in de Zweedse regelgeving, namelijk dat toegang tot de bewaarde gegevens niet vereist dat de gegevens verband houden met verdenking van ernstige strafbare feiten. Verweerster stelt dat de ongeldigheid van RL 2006/24 niet impliceert dat de Zweedse regelgeving ook ongeldig is, zolang maar is voldaan aan de eisen van RL 2002/58 en overig Europees recht.

Prejudiciële vragen 

De verwijzende Zweedse rechter (bestuursrechter in hoger beroep) is met verweerster van oordeel dat het arrest C-293/12 de mogelijkheid om verkeersgegevens te bewaren onverlet laat, zolang is voldaan aan de genoemde eisen. Maar hij vindt ook zowel argumenten voor als tegen de opvatting dat de ruime bewaarplicht die wordt opgelegd door de Zweedse regelgeving verenigbaar is met RL 2002/58 en het Handvest. Om een eenduidig antwoord te krijgen op de vraag of het HvJEU in arrest C-293/12 een afgewogen beoordeling heeft verricht van de omvang van de bewaarplicht en de bepalingen inzake toegang tot gegevens, bewaartermijn en beveiliging legt hij de volgende vragen aan het HvJEU voor: 

  1. Is een algemene verplichting om met het oog op wetshandhaving op strafrechtelijk gebied verkeersgegevens te bewaren, welke verplichting zich zonder enig onderscheid, enige beperking of uitzondering uitstrekt tot alle personen, alle elektronische communicatiemiddelen en alle verkeersgegevens, verenigbaar met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? 
     
  2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, kan de bewaring dan niettemin toegestaan zijn

a) wanneer de toegang van de nationale instanties tot de gegevens die worden bewaard, is geregeld; 
b) wanneer de veiligheidseisen worden geregeld, en
c) alle relevante gegevens moeten worden bewaard gedurende zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop de communicatie werd beëindigd, en daarna moeten worden gewist? 

Conclusie AG

De AG geeft het Hof van Justitie in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/CE van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn ‚privacy en elektronische communicatie’), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, en de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat een lidstaat aanbieders van elektronischecommunicatiediensten verplicht om alle gegevens betreffende de door de gebruikers van hun diensten gevoerde communicaties te bewaren indien is voldaan aan alle hiernavolgende vereisten, hetgeen door de verwijzende rechters moet worden getoetst in het licht van alle relevante kenmerken van de in de hoofdgedingen betrokken nationale regelingen:

  • die verplichting en de waarborgen waarmee zij gepaard gaat moeten zijn voorzien in wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die voldoende toegankelijk en voorzienbaar zijn en naar behoren bescherming bieden tegen willekeur;
     
  • die verplichting en de waarborgen waarmee zij gepaard gaat moeten de wezenlijke inhoud van de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten erkende rechten eerbiedigen;
     
  • die verplichting moet strikt noodzakelijk zijn voor de bestrijding van ernstige criminaliteit, hetgeen impliceert dat geen enkele andere maatregel of combinatie van maatregelen net zo doeltreffend kan zijn voor de bestrijding van ernstige criminaliteit, maar minder inbreuk maakt op de door richtlijn 2002/58 en de artikelen 7 en 8 van het Handvest erkende rechten;
     
  • die verplichting moet gepaard gaan met alle door het Hof in de punten 60‑68 van het arrest van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a. (C‑293/12 en C‑594/12, EU:C:2014:238) genoemde waarborgen inzake de toegang tot de gegevens, de bewaringstermijn en de bescherming en beveiliging van de gegevens, teneinde de inbreuk op de door richtlijn 2002/58 en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten erkende rechten te beperken tot het strikt noodzakelijke, en
     
  • die verplichting moet in een democratische samenleving evenredig zijn aan de doelstelling van bestrijding van ernstige criminaliteit, hetgeen betekent dat de ernstige risico’s die in een democratische samenleving door die verplichting worden veroorzaakt niet onevenredig mogen zijn aan de voordelen die eruit voortvloeien voor de bestrijding van ernstige criminaliteit.
     

Lees hier de volledige conclusie:

Voor meer informatie:


 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF