Verwerping verweer dat onderzoek in smartphone onrechtmatig is geweest: woninginbraken zijn dermate ingrijpend dat zij een verregaande inbreuk op de privacy rechtvaardigden

Rechtbank Rotterdam 23 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4748

Verdachte wordt in deze zaak veroordeeld voor meerdere vermogensdelicten. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd, dat de in telefoons aangetroffen gegevens, in het bijzonder de WhatsApp-gesprekken, van het bewijs dienen te worden uitgesloten op de grond dat het onderzoek daarnaar onrechtmatig is geschied. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2954, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat er geen wettelijke grondslag was om onderzoek te doen naar de gegevens die waren opgeslagen op de bij verdachte inbeslaggenomen telefoons. Bovendien heeft het onderzoek plaatsgevonden zonder een daartoe strekkende opdracht. Voorts heeft de raadsman van de verdachte gesteld dat er geen aanleiding was om onderzoek te doen naar de gegevens die waren opgeslagen op de inbeslaggenomen telefoons. Het vorenstaande betekent dat de gegevens die zijn aangetroffen op de telefoons van de verdachte niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Mocht er naar het oordeel van de rechtbank wel een wettelijke grondslag aanwezig zijn voor het in beslag nemen van de telefoons, dan heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat op ongelimiteerde wijze is gegrasduind in de privé-gegevens van de verdachte, hetgeen een inbreuk oplevert op het recht op privéleven van de verdachte, zoals beschermd door artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De aard en ernst van de verdenkingen rechtvaardigden een dergelijke grove inbreuk op de privacy van de verdachte echter niet. Het onderzoek naar de op de telefoons van de verdachte opgeslagen gegevens voldoet daarom niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook om deze reden dienen de gegevens die zijn aangetroffen op de telefoons van de verdachte van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsman.

Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

In navolging van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 13 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5007) en 24 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:579) is de rechtbank van oordeel, dat artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering de wettelijke grondslag biedt voor het in beslag nemen van een telefoon, alsmede voor het veilig stellen van en het onderzoek doen naar de op de telefoon opgeslagen gegevens, waaronder WhatsApp-gesprekken. Hieruit volgt dat ook voor de inbeslagname van de telefoons van de verdachte na de aanhouding van de verdachte op 6 januari 2015 een wettelijke grondslag bestond. De rechtbank is niet gebleken dat de telefoons in beslag zijn genomen anders dan om in de zaak waarvoor de verdachte was aangehouden de waarheid aan het licht te brengen. Dat de op de telefoons opgeslagen en door de politie veilig gestelde gegevens niet direct zijn onderzocht, maakt dat niet anders.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of er ook een wettelijke grondslag bestond om op een later moment onderzoek te doen naar de in de telefoons opgeslagen gegevens anders dan in het kader van de waarheidsvinding in de zaak waarvoor de verdachte op 6 januari 2015 was aangehouden. Die vraag beantwoordt de rechtbank op grond van het hierna volgende bevestigend.

De van de telefoons van de verdachte afkomstige gegevens die door de politie zijn veilig gesteld en opgeslagen, zijn aan te merken als politiegegevens in de zin van artikel 1 van de Wet politiegegevens. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet politiegegevens kunnen deze gegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een periode van één jaar na de datum van de eerste verwerking. Op grond van artikel 1, sub c, van de Wet politiegegevens wordt onder het verwerken van politiegegevens ook het raadplegen, gebruiken en vergelijken van politiegegevens verstaan. Op grond van artikel 13 onder b kunnen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 8,9 en 10, zelfs verder worden verwerkt voor zover zij relevant zijn voor het ophelderen van strafbare feiten die nog niet herleid konden worden tot een verdachte.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gesteld dat in de loop van 2015 de opdracht is gegeven om nader onderzoek te doen naar de gegevens op de telefoons van de verdachte, omdat de verdachte door politie en justitie in verband werd gebracht met verschillende woninginbraken in 2014 en 2015 grotendeels gepleegd in de wijk [wijk] in Rotterdam. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de officier van justitie onder meer verschillende mutatie-rapporten van de politie uit de maanden november en december 2014 aan het dossier toegevoegd waarin de verdachte als mogelijke betrokkene bij een of meer woninginbraken of pogingen daartoe wordt genoemd.

Naar het oordeel van de rechtbank vormden de verdenking van een woninginbraak, die heeft geleid tot de aanhouding van de verdachte op 6 januari 2015 tezamen met de hiervoor genoemde mutatie-rapporten - gegeven de toelichting die hierop door de officier van justitie ter zitting is gegeven - voldoende grond voor de politie om ter uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet politiegegevens op een later moment nader onderzoek te doen naar de gegevens die op de telefoons van de verdachte waren opgeslagen. Hieruit volgt dat ook voor dit nadere onderzoek naar de gegevens op de telefoon van de verdachte een wettelijke grondslag bestond. Het verweer van de raadsman van de verdachte dat de opsporingsambtenaren zonder een daartoe strekkende opdracht van een tot het onderzoek zijn overgegaan slaagt niet, nu de officier van justitie ter zitting onweersproken heeft gesteld dat dit onderzoek is gedaan in opdracht van de daartoe bevoegde leidinggevenden. Voor zover de raadsman van de verdachte heeft gesteld dat de opsporingsambtenaren niet bevoegd waren om onderzoek te doen naar de op de telefoons van de verdachte opgeslagen gegevens, acht de rechtbank dat verweer niet voldoende onderbouwd.

Het verweer van de raadsman van de verdachte dat het onderzoek naar de privé-gegevens van de verdachte niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zoals die voortvloeien uit artikel 8, tweede lid, van het EVRM slaagt evenmin. Het onderzoek naar de gegevens op de inbeslaggenomen telefoons is gedaan, omdat de verdachte verdacht werd van het plegen van een misdrijf en hij in verband werd gebracht met verschillende woninginbraken en pogingen daartoe. Woninginbraken zijn naar het oordeel van de rechtbank misdrijven die dermate ingrijpend zijn voor de slachtoffers en een dermate grote inbreuk maken op de rechtsorde dat zij een verregaande inbreuk op de privacy van de verdachte rechtvaardigden.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen en dat de gegevens die op de inbeslaggenomen telefoons van de verdachte waren opgeslagen voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF