In hoger beroep celstraf en ambulante behandeling geëist voor grootschalige webcamseks

Tegen een 42-jarige man heeft de advocaat-generaal in Amsterdam in hoger beroep een gevangenisstraf van vier jaar geëist, waarvan een jaar voorwaardelijk. De Amsterdammer wordt ervan verdacht dat hij over een periode van jaren (2005-2013) een groot aantal kinderen heeft verleid tot het plegen van seksuele handelingen voor de webcam. In enkele gevallen was er sprake van dwang. Daarnaast wordt de man verdacht van het vervaardigen, bezit en verspreiden van kinderpornografie.

In juridische zin komt de door de verdachte georkestreerde webcamseks neer op het plegen van ontucht met minderjarigen en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Het OM heeft de verdachte voor 32 zaken (32 individuele slachtoffers) vervolgd.

Uit het dossier is gebleken dat het om veel meer slachtoffers gaat. Dit heeft de verdachte ook toegegeven. De slachtoffers waren zowel jongens als meisjes, de meeste van hen in de tienerleeftijd.

De rechtbank legde de verdachte een gevangenisstraf van vier jaar op, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Als bijzondere voorwaarde bepaalde de rechtbank dat de verdachte zich laat behandelen. Door een andere juridische weging dan de officier van justitiekwam de rechtbank in drie van de 32 zaken tot een vrijspraak. Het OM is tegen het vonnis in hoger beroep gegaan.

De officier van justitie had naast drie jaar gevangenisstraf ook TBS met dwang geëist. Het zwaartepunt van het hoger beroep door het OM lag bij het feit dat de rechtbank deze maatregel niet heeft opgelegd.

In eerste aanleg zijn diverse gedragsdeskundige rapportages opgemaakt, met verschillende uitkomsten. Een psycholoog en een psychiater stelden een persoonlijkheidsstoornis vast en achtten de kans op herhaling aanwezig als de verdachte zich niet laat behandelen. Een door de verdachte gevraagd tegenonderzoek leidde niet tot de conclusie dat er sprake is van een stoornis. De rechtbank kwam uiteindelijk tot het oordeel dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar moest worden verklaard en dat het gevaar voor herhaling kon worden beperkt door verplicht reclasseringscontact en een ambulante behandeling.

In hoger beroep is de verdachte op last van het hof geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (PBC), voor een nieuw gedragsdeskundig oordeel.

Volgens het PBC kan niet worden gesproken van een stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling. Wel wordt opgemerkt dat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte pedofiel is. Met deze - wat het OM betreft verrassende - uitkomst is er volgens de advocaat-generaal geen basis voor het opleggen van TBS. ,,Dat laat onverlet dat een behandeling van verdachte naar het oordeel van het OM nodig blijft, gelet op de grote schaal waarop door verdachte is geacteerd en de wetenschap dat als het gaat om zedendelicten het gedrag zijn hardnekkige kanten kent.’' Voorkomen moet worden dat de verdachte nog eens slachtoffers maakt, aldus de aanklager in hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft dan ook gevorderd dat de verdachte de bijzondere voorwaarden krijgt opgelegd dat hij zich gedurende een driejarige proeftijd verplicht houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en zich onderwerpt aan een behandeling in De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg.

Concluderend is de advocaat-generaal het eens met het oordeel van de rechtbank en kan het vonnis in de visie van het OM integraal bevestigd worden.

Uitspraak op 30 juni.

Bron: OM

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF