Verdachte wordt veroordeeld wegens belaging na meermalen e-mailberichten en sms-berichten te hebben verzonden

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1282

De verdachte heeft erkend vanaf augustus tot en met oktober 2010 meermalen e-mailberichten en sms-berichten te hebben verzonden aan slachtoffer 1 en slachtoffer 2, maar stelt dat dit niet kan worden beschouwd als belaging.

Uitgaande van de pijlers voortvloeiende uit de jurisprudentie van de Hoge Raad stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen sprake is van wederrechtelijk handelen van de kant van verdachte omdat:

  1. de mailberichten die hij heeft gestuurd zakelijk van aard waren en beperkt in frequentie. De periode van medio augustus 2010 tot medio oktober 2010 is voorts te kort om te kunnen spreken van stelselmatig benaderen en er is geenszins sprake geweest van een stortvloed aan berichten;
     
  2. verdachte alleen heeft gereageerd op berichten die hij ontvangen had van slachtoffer 1 en van slachtoffer 2 (er was aldus sprake van wederkerigheid van contacten, hetgeen slechts een beperkte invloed op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen kan hebben gehad);
     
  3. verdachte geen oogmerk heeft gehad om de betrokkenen iets te laten dulden. Ze konden immers zelf de verdachte als afzender blokkeren en dat hebben ze niet gedaan, en
     
  4. slachtoffer 1 hem nooit heeft gezegd dat hij haar niet meer mocht mailen.
     
  5. De rechtbank heeft overigens miskend dat er omissies zijn geconstateerd met betrekking tot de samenstelling van het dossier, waardoor de wederkerigheid van de contacten door de verdediging moeilijk is aan te tonen. Politie en justitie hebben verdachte derhalve tekort gedaan. Blijkens de verklaring van de verbalisant bij de rechter-commissaris op 23 februari 2011 zaten alleen de oneven paginanummers van de bijlagen in het dossier.
     
  6. Verdachte heeft binnen de lijnen van het betamelijke gereageerd op pesterijen die hem zijn aangedaan. Blijkens het verhoor van slachtoffer 2 bij de raadsheer-commissaris op 17 maart 2015 heeft hij zelf ook contact gezocht met de verdachte. Zo heeft hij verklaard dat erover en weer e-mailverkeer ontstond en dat het even een soort spelletje leek te zijn. 

    Hij heeft samen met slachtoffer 1 klaar gezeten om te reageren of om berichten te sturen naar verdachte. In de omstandigheden van het geval kan dit worden beschouwd als uitlokking door slachtoffer 2, omdat slachtoffer 2 wist dat verdachte zijn bericht van 9 oktober 2010 over het trouwen met slachtoffer 1 serieus zou nemen en daarop zou reageren.
     
  7. Ten slotte is door de verdediging een beroep gedaan op toepassing van de EG-richtlijn 2009/136/EG d.d. 25 november 2009, tot wijziging van onder meer de EG-richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie. Verdachte heeft in dat verband gewezen op de aanpassing van artikel 13, tweede lid, van laatstgenoemde richtlijn, waaruit volgt dat wanneer iemand één mailbericht aan een ander stuurt, die ander daar onbeperkt op mag reageren tenzij er verzet is ingesteld, hetgeen aan hem ook is bevestigd door de Autoriteit Consument en Markt.

De verdachte stelt dat hij belastingconsulent is, in die hoedanigheid ook diensten levert en op bedoelde richtlijn een beroep kan doen, zo begrijpt het hof het verweer van de verdachte. De verdachte vond het reageren per e-mail een nette manier, omdat dit een vastlegging is van het gebeuren en voor duidelijkheid kan zorgen.

Het hof overweegt ten aanzien van voornoemde verweren als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b van het Wetboek van Strafrecht zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

  • Ad. 1.

Er is weliswaar sprake van telkens een korte periode van ongeveer twee maanden waarin brieven, e-mails en sms-jes werden verstuurd, maar dat staat het mogelijk karakter van belaging van dergelijke berichten in beginsel niet in de weg. Het gaat immers tevens om een afweging van de aard en de frequentie van de berichten en de indringendheid daarvan. Naar het oordeel van het hof is er, gelet op de inhoud van de berichten van verdachte aan slachtoffer 1 en slachtoffer 2, geen sprake van enkel zakelijke berichten, maar tevens van zeer persoonlijke berichten over het al dan niet hebben van een relatie van verdachte met slachtoffer 1, over een door de verdachte aan slachtoffer 1 gedaan huwelijksaanbod, het hebben van een etentje en het uitnodigen voor een festival. Op het moment dat slachtoffer 1 per e-mailbericht van 11 september 2010 de verdachte te kennen geeft hier niet van gediend te zijn en niet door hem als zijn vriendin te willen worden beschouwd, dat ze enkel collega’s zijn en dat verdachte moet stoppen met daarover te e-mailen, worden de berichten van verdachte indringender. Zo eist de verdachte ineens compensatie voor de door verdachte uitgevoerde werkzaamheden en stuurt hij ook e-mailberichten daarover richting derden, welke slachtoffer 1 “cc” ontvangt, en op 2 oktober 2010 stuurt hij zelfs een brief aan slachtoffer 2 met als bijlage een brief van dezelfde datum aan het Brabants dagblad met als onderwerp: aankondiging “opeising” slachtoffer 1 = “ons huwelijk”.

Voor de toepassing van art. 285b Sr is overigens niet vereist dat de inbreuk op eens anders persoonlijke levenssfeer aanmerkelijk is. Het effect van de gedragingen op het slachtoffer wordt aan objectieve maatstaven getoetst, wil er sprake zijn van belaging. Waar het om gaat is dat een ieder, wanneer hij redelijkerwijs een bescherming  van zijn persoonlijke levenssfeer kan verwachten, onbevangen zichzelf kan zijn zonder er steeds op bedacht te moeten zijn dat een ander die vrijheid verstoort.

Gelet op de tientallen berichten met voornoemd karakter die de verdachte in de bewezen verklaarde perioden heeft verzonden aan slachtoffer 1, aan slachtoffer 2 en aan derden (welke hetzij als bijlage bij een brief aan slachtoffer 2 zijn gevoegd, hetzij cc aan slachtoffer 1 zijn verstuurd), welke berichten het hof als onaangenaam typeert en waar slachtoffer 1 en slachtoffer 2 ook niet van gediend waren, is naar het oordeel van het hof sprake van een stelselmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Zij zijn door verdachte herhaaldelijk ongevraagd door deze berichten en/of geschriften lastig gevallen.

  • Ad 2 en 5

De stelling van de verdachte dat er sprake was van wederkerige contacten en dat hij enkel reageerde op berichten van slachtoffer 1 en van slachtoffer 2 vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier. Daarbij zij opgemerkt dat het hof beschikt over een volledig dossier, waarbij de pagina’s dubbelzijdig zijn gekopieerd, zodat er geen aanleiding bestaat voor het hof om aan te nemen dat het dossier eenzijdig is opgesteld en dat ontlastend bewijs is weggelaten. slachtoffer 1 heeft slechts één keer gereageerd richting verdachte met een e-mailbericht d.d. 11 september 2010 (dit bericht bevindt zich op de achterzijde van dossierpagina 58, van het dossier met registratienummer PL21X3 2010122085-1) en verder in het geheel niet omdat zij, blijkens haar verklaring bij de rechter-commissaris, verdachte zoveel mogelijk heeft willen negeren. slachtoffer 2 heeft blijkens het dossier wel een enkele keer een bericht gestuurd naar de verdachte (zoals op 9, 10, 11 en 18 oktober 2010), maar uit het dossier blijkt niet dat er door verdachte telkens is gereageerd op een bericht van

Slachtoffer 2. Verdachte heeft veeleer een enorme hoeveelheid e-mailberichten naar slachtoffer 2 gestuurd naar aanleiding van één bericht van slachtoffer 2, te weten die van 9 oktober 2010. De berichten van slachtoffer 2 d.d. 10, 11 en 18 oktober 2010 hebben overduidelijk de strekking de verdachte te laten weten dat hij moet stoppen met het sturen van ongewenste berichten. Daardoor heeft de verdachte zich echter niet laten weerhouden en is hij doorgegaan met het versturen van de berichten, hetgeen het hof gezien de voornoemde afwegingsfactoren als wederrechtelijk handelen bestempelt.

  • Ad. 3.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het dulden als bedoeld in artikel 258b Sr ook inhoudt het moeten ontvangen van een grote hoeveelheid berichten van de verdachte. Het oogmerk van de verdachte is gericht geweest op het dwingen dat de ander ( slachtoffer 1 en slachtoffer 2 ) zijn (ongewenste) aanwezigheid duldt in die zin dat het handelen van verdachte de slachtoffers geen keuze heeft gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met verdachte, waardoor de slachtoffers feitelijk werden gedwongen te dulden dat verdachte stelselmatig contact met hen zocht en aldus inbreuk maakte op hun persoonlijke levenssfeer. Bovendien heeft slachtoffer 1 tevens moeten dulden dat verdachte aan derden (zoals ook aan diverse kranten, het arrondissementsparket, taxibedrijf etc.) berichten stuurde met een cc aan haar, die betrekking hadden op haar persoon en hun vermeende relatie. Weliswaar kunnen berichten van een verzender worden geblokkeerd zoals de verdachte diverse keren heeft aangegeven, maar als dit niet gebeurt door de ontvangers wil dat nog niet zeggen dat daarmee toestemming is gegeven voor de ontvangst van die berichten. Dit staat niet aan het aannemen van belaging in de weg. slachtoffer 1 heeft overigens op 5 juni 2012 bij de rechter-commissaris een, naar het oordeel van het hof, zeer plausibele verklaring gegeven waarom zij berichten afkomstig van de verdachte niet blokkeerde. Ze was bang voor de verdachte en wilde op de hoogte blijven van de gedachtegang van de verdachte, wat er in zijn hoofd om ging, om te kunnen beoordelen of zij al dan niet gevaar liep.

  • Ad 4.

Voor een bewezenverklaring van belaging geldt volgens de jurisprudentie niet de uitleg dat een in art. 285b Sr omschreven gedraging uitsluitend dan als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander voorafgaand aan die gedraging aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt geen contact met hem te willen. Dat slachtoffer 1 volgens de verdachte niet heeft gezegd dat hij haar helemaal niet meer mocht mailen, staat een bewezenverklaring aldus niet in de weg.

  • Ad 6.

Uit het dossier volgt niet dat slachtoffer 2 met zijn e-mailbericht van 9 oktober 2010 over zijn voorgenomen huwelijk met slachtoffer 1 de verdachte heeft uitgelokt tot het sturen van vele berichten aan hem en aan slachtoffer 1. Immers, op 7 oktober 2010 heeft verdachte zelf al geschreven richting slachtoffer 2 over het eventuele huwelijk tussen hem en slachtoffer 1. Daarop heeft slachtoffer 2 op 9 oktober 2010 gereageerd met voornoemde, volgens hem als grap bedoelde, e-mail. Vervolgens heeft slachtoffer 2 verdachte enkele malen gemaild met de mededeling dat hij moest stoppen met het verzenden van berichten aan hem en aan slachtoffer 1. Er is aldus geen sprake van uitlokking aan de zijde van slachtoffer 2.

  • Ad 7.

Artikel 13, lid 2, van de door verdachte genoemde richtlijn luidt:

Onverminderd lid 1 kan een natuurlijke of rechtspersoon die van zijn klanten elektronische contactgegevens voor e-mail verkrijgt in het kader van de verkoop van een product of een dienst, overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, die elektronische contactgegevens gebruiken voor direct marketing van eigen gelijkaardige producten of diensten mits de klanten duidelijk en expliciet de gelegenheid wordt geboden kosteloos en op gemakkelijke wijze bezwaar te maken tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens op het ogenblik dat zij worden verzameld en, ingeval de klant zich in eerste instantie niet tegen dat gebruik heeft verzet, bij elke boodschap.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Hetgeen de verdachte wordt verweten is dat hij diverse brieven, e-mailberichten en sms-berichten heeft verzonden aan slachtoffer 1 en slachtoffer 2. Gezien de inhoud van deze berichten is het hof van oordeel dat deze voornamelijk van persoonlijke aard waren en door verdachte niet zijn verzonden vanuit zijn hoedanigheid van belastingconsulent of in het kader van zijn onderneming voor het leveren van diensten.

Het doen van een huwelijksaanbod wordt door het hof in ieder geval beschouwd als iets wat zich in de privésfeer van betrokkenen afspeelt en wordt niet beschouwd als het leveren van een dienst. Dat verdachte naar zijn zeggen ‘op huwelijksaanbod’ en niet tegen betaling kranten heeft verspreid, doet daar niet aan af. De richtlijn waar de verdachte een beroep op doet heeft enkel betrekking op zakelijke contacten en is bedoeld ter bescherming van de consument die zich op de (Europese) zakelijke markt begeeft, hetgeen onder toezicht staat van de door verdachte aangehaalde Autoriteit Consument en Markt. De richtlijn is aldus niet van toepassing op berichten met een louter persoonlijk karakter.

Het verweer wordt op alle onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

  • Belaging

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen, waarvan 35 voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF