Digitale belaging door op internet accounts en websites op naam van het slachtoffer te maken en daarbij persoonlijke gegevens en foto’s van het slachtoffer te gebruiken

Rechtbank Rotterdam 17 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1265

De verdachte heeft het slachtoffer gedurende een periode van meer dan drie maanden belaagd. Zij heeft accounts op naam van het slachtoffer aangemaakt op diverse social media en heeft websites op naam van het slachtoffer aangemaakt. Op social media en de websites heeft de verdachte vervolgens zeer persoonlijke gegevens en foto’s van het slachtoffer en haar familie geplaatst.

Ondertussen heeft zij ook de zeer indringende beslissing genomen om op haar arm de naam van het slachtoffer te laten tatoeëren. Door haar volhardende handelen heeft de verdachte het slachtoffer ongevraagd en tegen haar uitdrukkelijke wil gedwongen om de door verdachte gepleegde handelingen en activiteiten en het voortbestaan van die voor haar niet te beheren sites met haar gegevens te dulden.

Juridisch kader

Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1447) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De Hoge Raad oordeelt verder dat de omstandigheid dat iemand aan de verdachte niet te kennen heeft gegeven dat hij geen contact met hem wilde hebben, weliswaar van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging, maar niet zonder meer toereikend is om te oordelen dat een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet is komen vast te staan.

Periode tot 28 november 2014

De verdachte en de aangeefster kennen elkaar doordat de verdachte tot kort voor de ten laste gelegde periode stage heeft gelopen bij naam instelling, waar de aangeefster werkt en haar aanspreekpunt was. In de ten laste gelegde periode van 5 tot 28 november 2014 gaat het (op twee dagen) om twee e-mails en drie WhatsAppberichten in een wederzijdse conversatie tussen de verdachte en de aangeefster over het krijgen van aangeefsters mobiele nummer respectievelijk de nieuwe baan die de verdachte heeft gevonden. Alsmede om een informele e-mailwisseling tussen de verdachte en een andere (oud-)collega over de aangeefster, waarin de verdachte desgevraagd juist schrijft dat zij niet verliefd is op de aangeefster. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat met deze e-mails en apps in deze periode geen belaging plaatsvindt. Dat wordt niet anders door wat er daarna gebeurt.

Periode van 28 november 2014 tot aangeefsters app van 30 november 2014

Op 28 en 29 november 2014 en tot en met verdachtes laatste app op 30 november 2014 gaat het om tien WhatsAppberichten en twee voicemails van de verdachte aan aangeefster. Hierin vraagt de verdachte om verder contact en laat zij weten verliefd te zijn op de aangeefster en daarmee te worstelen. Dit is eenrichtingsverkeer tot de aangeefster op 30 november 2014 om 15.57 uur WhatsAppt dat de relatie puur zakelijk en werkgerelateerd was en dat zij het daarbij wilde laten. Verdachtes verliefde berichten zijn naar hun inhoud van persoonlijke aard en intens. De duur van de gedragingen is echter nog kort en de frequentie beperkt. De intensiteit wordt qua vorm (WhatsAppberichten en voicemails) gerelativeerd doordat het contact op afstand is, waarbij de aangeefster niet in een situatie zit waarin zij onmiddellijk moet reageren, zoals bijvoorbeeld bij een fysieke ontmoeting. De omstandigheid dat de berichten van een oud-collega komen, legt op zich onvoldoende gewicht in de schaal om te concluderen dat sprake is van belaging, Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de verdachte op 28 november 2014 aan de aangeefster WhatsAppt dat zij het respecteert als de aangeefster haar, zoals zij graag wil, niet nog eens wil zien. Te meer omdat de verdachte in deze periode niet in weerwil van een afwijzende reactie van de aangeefster berichten stuurt.

Wat betreft de invloed van de berichten op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid wil de rechtbank als feit van algemene bekendheid wel aannemen dat een onverwachte, met horten en stoten gebrachte liefdesbekentenis van een oud-collega, die niet als wederzijds wordt ervaren, op iemand een bijzondere indruk maakt en de lastige vraag oproept hoe daarvan af te komen. Meer dan dat is het in beginsel ook niet en uit het dossier blijkt ook niet van verderstrekkende invloed van deze tien WhatsAppberichten en twee voicemailberichten op aangeefsters persoonlijk leven en persoonlijke vrijheid. De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat met deze Whatsappberichten en voicemails in deze periode geen belaging plaatsvindt. Ook dat wordt niet anders door wat er daarna gebeurt.

Conclusie periode tot 30 november 2014 en streepjes 1-3

Niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de aangeefster van 5 tot 30 november 2014 heeft belaagd en hetgeen de verdachte bij de eerste drie gedachtestreepjes ten laste is gelegd.

Digitale belaging (streepjes 4-7 en 9)

Bij het vierde tot en met zevende en negende gedachtestreepje op de tenlastelegging gaat het, kort gezegd, om het maken van Facebook-, Twitter- en Instagramaccounts en websites op naam van de aangeefster en het (daarop) plaatsen van liefdesverklaringen, foto’s en persoonlijke gegevens van de aangeefster.

Wetsgeschiedenis

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de expliciete bedoeling van de wetgever is digitale belaging (cyberstalking of belaging via internet) strafbaar te stellen, mits sprake is van een inbreuk op een persoonlijke levenssfeer (Handelingen II 1998/99, p. 97-5661, 97-5666, 98-5695 en p. 98-5702).

Over ‘persoonlijke levenssfeer’ leert de wetsgeschiedenis: ‘Het door de delictsomschrijving in de woorden « persoonlijke levenssfeer » te beschermen rechtsgoed is het grondrecht om in vrijheid te handelen onder het genot van een veilige private levenssfeer. (…) In de Memorie van Toelichting hebben de indieners het begrip « persoonlijke levenssfeer » omschreven in de lijn van de jurisprudentie van art. 8 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM). (…) In het Niemitz-arrest heeft het Hof beslist dat het begrip « privacy » een transcedent begrip is dat is onttrokken aan stoffelijke beperkingen.’ (Kamerstukken II 1998/99, 25 768, nr. 7, p. 6).

‘Wij hebben gezocht naar een omschrijving die in beginsel allerlei soorten gedragingen kan omvatten, maar die tegelijkertijd niet nietszeggend is. (…) In de Lüdi-zaak uit 1993 ging het over “the reasonable expectation of privacy” in strafzaken. Daarmee is door het Hof gezegd dat je niet altijd zomaar die privacy of die persoonlijke levenssfeer kunt inroepen. Nee, je moet daarbij een redelijke verwachting hebben van die persoonlijke levenssfeer. En mocht je die dus redelijkerwijs verwachten en mocht je verwachten dat die levenssfeer gewaarborgd zou blijven? Wij merken op dat bij belaging eerder inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal worden gemaakt wanneer iemand bijvoorbeeld thuis wordt lastiggevallen. (…) De verwachting dat je persoonlijke levenssfeer beschermd wordt in de openbaarheid zul je toch wat bij moeten stellen, terwijl je daar wel het een en ander van mag verwachten als je thuisblijft. (…) Onze eigen Hoge Raad heeft in 1992 ook uitspraken gedaan over de persoonlijke levenssfeer. Hij heeft gezegd dat je als individu de mogelijkheden moet hebben om onbevangen je eigen leven te leiden, om onbevangen jezelf te zijn. En dat “onbevangen jezelf zijn” betekent in de uitleg die eraan gegeven wordt, dat je er niet voortdurend op bedacht hoeft te zijn dat, wanneer je aan het openbare leven deelneemt, iemand anders inbreuken maakt op jouw levenssfeer. Je hoeft dus niet van tevoren al te gaan anticiperen en als het ware als een schichtig vogeltje door het leven te gaan, omdat anderen jouw persoonlijke vrijheid niet waarderen en accepteren.’ (Handelingen II 1998/99, p. 98-5693 en p. 98-5694).

‘Voor de rechter, die met de bepaling moet werken, is ook de wetsgeschiedenis relevant. Daarom is ook ten tijde van de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer uitvoerig stilgestaan bij dit aspect. Uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens en ook van de Hoge Raad op het gebied van de persoonlijke levenssfeer geven relevante afbakeningen. In die uitspraken komt naar voren dat men niet te pas en te onpas de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan inroepen, maar dat men een redelijke verwachting van die bescherming moet hebben. Daaruit volgt dat die verwachting in de omgeving van het eigen huis sterker is dan op de openbare weg. Toch dient men onbevangen zichzelf te kunnen zijn in het openbare leven. Dus al te indringende inbreuken op de persoonlijke levenssfeer zijn ook daar niet toegestaan.’ (Kamerstukken I 1999/2000, 25 768, nr. 67a, p. 6).

‘(…) De jurisprudentie van privacy komt erop neer dat er eerder een inbreuk op je persoonlijke levenssfeer plaatsvindt, wanneer je thuis aanwezig bent of wanneer je op je werk wordt lastiggevallen dan wanneer je je in het openbaar begeeft. Maar, zoals uit de jurisprudentie blijkt, ben je ook daar niet vogelvrij (…) Evenals het begrip “home” uit artikel 8 strekt het zich uit naar ruimtelijkheden die niet gefixeerd zijn naar tijd of plaats. Volgens het Europese Hof houdt het respect voor iemands privé-leven ook het recht in om contacten met anderen aan te gaan en te ontwikkelen. (…) Ik heb geprobeerd aan te geven met tal van argumenten hoe wij het bestanddeel persoonlijke levenssfeer zien en hoe dat ook doorwerkt in de jurisprudentie. Enigszins onduidelijk blijft het – dat is zo – maar daar is de

jurisprudentie voor nodig om dat verder in te kaderen.’ (Handelingen I 1999/2000, p. 28-1361 en p. 28-1372).

Online regels, bescherming van naam en portret

Zonder noemenswaardige moeite valt uit algemeen toegankelijke bronnen te achterhalen en heeft dus als feit van algemene bekendheid in de zin van artikel 339, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering te gelden: ‘Facebook is een community van mensen die hun ware identiteit gebruiken. Het is verplicht voor gebruikers om de naam op te geven die ze in het dagelijks leven gebruiken.’ (namenbeleid Facebook). ‘Impersonatie: je mag je via de Twitter-service niet voordoen als iemand anders op een wijze die anderen feitelijk of beoogd misleidt, verwart of bedreigt’ (Twitter-regels). ‘Instagram prohibits the creation of and you agree that you will not create an account for anyone other than yourself.’ (Instagram Terms of Use); ‘You may not use the Site or the Services provided through or in connection with the Site to: (a) defame, abuse, harass, threaten or otherwise violate the legal rights (such as rights of privacy and publicity) of others’ (Epik.com Terms of Service). Naar het oordeel van de rechtbank zijn Facebook-, Twitter- en Instagramaccounts persoonsgebonden en mag domeinnaamregistratie andermans rechten niet schaden. Artikel 1:8 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt voorts dat degene die de naam van een ander zonder diens toestemming voert, jegens die persoon onrechtmatig handelt, wanneer diegene daardoor de schijn wekt die ander te zijn. De artikelen 20 en 21 van de Auteurswet beschermen bovendien het portret van mensen, voor de openbaarmaking waarvan hun toestemming dan wel een redelijk belang dat zich daartegen verzet, een rol spelen.

Gedragingen van de verdachte in het licht van de toetsstenen van de Hoge Raad

De verdachte heeft accounts en sites gemaakt op aangeefsters naam, met door de verdachte vergaarde persoonlijke foto’s van de aangeefster (die de verdachte onder meer als profielfoto gebruikt) en/of persoonlijke informatie van de aangeefster, haar partner en andere familieleden.

De gedragingen deden zich aanzienlijke tijd (ruim drie maanden) en regelmatig voor.

Van belang is enerzijds de omstandigheid dat sprake is van gedrag op internet. Anderzijds is van belang de omstandigheid dat op de sites met aangeefsters naam ook grievende informatie staat. Ook heeft de verdachte op eigen (Facebook) pagina’s geschreven dat zij jarenlang bendelid is geweest, een foto gezet van twee vuurwapens en geschreven ‘or maybe I will come after you, don’t think I won’t remember what your front steps look like’, ‘You will never get me, how many times you run to the Police Office.. they will not do anything, but when they do I will not come after you but after your fucking family’, ‘Hey naam I know you read this!!! delete that interview, or I will come after you and your friends, Crips are also in Los Angeles’, terwijl daarbij telkens aangeefsters gezicht als profielfoto staat. Van belang is tevens de omstandigheid dat de aangeefster voor al deze gedragingen geen recht of toestemming heeft gegeven. Integendeel, in haar WhatsApp van 30 november 2014 heeft zij uitdrukkelijk aan de verdachte laten weten geen rol te zullen spelen in verdachtes toekomst en dat zij het hierbij wilde laten. Ook is van belang dat de aangeefster geen bekende persoonlijkheid is die zich wat betreft aanbidding meer moet laten welgevallen, zodat het vergelijk van de raadsman daarmee, en wat er ook van zij, niet opgaat.

De aangeefster verklaart in haar aangifte en verhoren hoe de handelingen van de verdachte haar persoonlijk leven en persoonlijke vrijheid beïnvloeden. Zo verklaart zij op 27 januari 2015 onder meer: ‘Ik werk bij naam instelling. Al mijn huidige klanten, dan wel toekomstige klanten kunnen van alles te zien krijgen als ze mijn naam op internet intikken. Dan krijgen ze sites en informatie te zien die niet door mij geplaatst zijn.’ Op 30 januari 2015 verklaart de aangeefster onder meer: ‘mijn facebookaccount heb ik afgesloten. Die bestaat niet meer. Ik had deze 2 of 3 jaar geleden aangemaakt, maar door deze omstandigheden wilde ik niks meer op internet zetten.’ Op 12 februari 2015 verklaart zij onder meer: ‘Deze stalking gaat inmiddels (…) zover dat ik mij gigantisch in mijn vrijheid belemmerd voel. Ik durf niet goed meer over straat. Ik draag vaak een capuchon over mijn hoofd of een sjaal voor mijn gezicht. Ik durf niet zonder begeleiding van mijn werk naar een ander kantoor te gaan. Ik mag tegenwoordig van mijn werk in de garage staan, omdat ik niet meer naar het werk durf te lopen vanaf de plek waar ik parkeerde. Ik kan niet meer gebruik maken van Facebook, omdat alles wat ik plaats gebruikt wordt door de verdachte. Zij weet alles over mij, over mijn familie, vrienden, bekenden, wat ik doe of zeg, waar ik heen ga. (…) Al met al beheerst het heel mijn privéleven, dit beheerst heel mijn dagelijks functioneren. Ik ben er 24 uur per dag mee bezig. Het beheerst mijn privé- maar ook mijn werkbestaan. Ik functioneer niet goed meer. Ik word er gek van. Soms kwaad, soms huilend, dan weer relativerend, maar ook ben ik bang dat het niet stopt of zelfs erger wordt. Ik ben boos op mijn werk, dat ik door mijn werkgever hiertegen niet beschermd wordt. Ik ben soms boos op de politie, omdat er naar mijn mening/gevoel niet snel genoeg iets aan gedaan wordt of er niks aan gedaan kan worden. Ik wil dat het stopt en ik mijn veilige luchtbel (zoals ik dat noem) weer terug krijg en weer onbezorgd kan verdergaan.’

Conclusie streepjes 4-7 en 9

Privacy thuis of op het werk verdient zwaardere bescherming dan privacy in de openbaarheid. Dit geldt zeker op internet. Maar, in de woorden van de wetgever: ook in de openbaarheid is men niet vogelvrij en ook dat geldt naar het oordeel van de rechtbank op internet. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft belaagd door de gedragingen die haar bij het vierde tot en met zevende en negende gedachtestreepje ten laste zijn gelegd. Zij verwerpt het ter zake gevoerde verweer van de raadsman.

Tatoeage (streepje 8)

De verdachte heeft op haar arm een tatoeage met aangeefsters naam laten aanbrengen. Dit is een zowel voor de verdachte als de aangeefster zeer persoonlijke gedraging, die in beginsel altijd voortduurt en die zeer intens is. Als omstandigheden zijn van belang dat de verdachte het laten plaatsen van die tatoeage online op pagina’s met aangeefsters naam aankondigt en daarop ook achteraf foto’s zet en dat zij hierover op haar Facebookpagina schrijft: ‘Other reason that I had naam en slachtoffer on my arm is so that I can’t hurt them physical. Type of insurace...Soon I will have a teardrop tattoo under my eye, because..Google it.’ Ook is als omstandigheid van belang het hiervoor benoemde digitale belagingsgedrag, dat maakt dat deze gedraging niet op zichzelf staat. Van belang is tevens de omstandigheid dat de aangeefster voor deze gedraging geen recht of toestemming heeft gegeven. Integendeel, in haar WhatsApp van 30 november 2014 heeft zij uitdrukkelijk aan de verdachte laten weten geen rol te zullen spelen in verdachtes toekomst en dat zij het hierbij wilde laten. Tot slot is ook van belang dat de aangeefster geen bekende persoonlijkheid is die zich wat betreft aanbidding meer moet laten welgevallen, zodat het vergelijk van de raadsman daarmee niet opgaat. De aangeefster geeft in verband met onder meer deze tatoeage aan dat zij zich door de verdachte in haar eer en goede naam aangetast voelt en zich beknot voelt in haar vrijheid, zij is bang voor wat de verdachte doet. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de aangeefster mede heeft belaagd door de gedraging die haar bij het achtste gedachtestreepje ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

  • Belaging

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF