Voordeling wegens bedreiging: destijds minderjarige verdachte heeft bedreigende tekst en afbeeldingen gepost op de facebook-pagina van een gemeenteraadslid

Rechtbank Amsterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1691

De destijds minderjarige verdachte heeft op 5 december 2013 bedreigende tekst en afbeeldingen gepost op de facebook-pagina van een gemeenteraadslid, naar aanleiding van een interview over jihadisme en radicalisering.

Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsvrouw heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn, nu hier sprake is van een strafzaak tegen een minderjarige. Kijkend naar de jurisprudentie op dit punt heeft de raadsvrouw als bijzondere omstandigheden die tot niet ontvankelijkheid dienen te leiden aangevoerd het hulpverleningstraject van Spirit dat is ingezet en dat langdurig en intensief is geweest en de omstandigheid dat verdachte vanwege het tijdverloop thans geen zicht meer kan geven op zijn gedachtegang en beweegredenen ten tijde van het plegen van het delict. Daarnaast wijst de raadsvrouw erop dat (zo begrijpt de rechtbank) sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, nu door een vertegenwoordiger van de gemeente aan verdachte en diens ouders is toegezegd dat geen vervolging zou plaatsvinden, mits verdachte zou blijven meewerken met de hulpverlening.

De rechtbank constateert met de verdediging dat sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad heeft bij arrest van 8 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2465) geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn ook in jeugdzaken niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging kan leiden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De Hoge Raad oordeelt dat volstaan kan worden met een minder verstrekkend rechtsgevolg als strafvermindering of in voorkomende gevallen de in artikel 9a Sr bedoelde schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel. De Hoge Raad wijst erop dat het openbaar ministerie (OM) slechts in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de vervolging. Voor zo’n beslissing moeten zwaarwegende argumenten bestaan. De raadsvrouw heeft ter zitting argumenten aangevoerd doch op grond van de jurisprudentie zijn deze niet voldoende zwaarwegend om te kunnen leiden tot niet ontvankelijkheid van het OM. Voor zover de raadsvrouw een beroep heeft gedaan op schending van het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat een dergelijke toezegging is gedaan met betrekking tot het ten laste gelegde feit en dat de toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon. Ook indien dit het geval zou zijn, levert dit op grond van de jurisprudentie niet een dusdanig bijzondere omstandigheid op dat daardoor tot niet ontvankelijkheid van het OM dient te worden geconcludeerd. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw. De rechtbank acht de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Oordeel rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 december 2013 te Amsterdam, aangever heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op de facebookpagina van die aangever :

  • de tekst geplaatst "Ik waarschuw je, beledig de Islam niet" en
  • een afbeelding geplaatst van de geloofsgetuigenis van de moslims en
  • een afbeelding geplaatst van een AK-47 en
  • een afbeelding geplaatst van naam met een vuurwapen en
  • de tekst geplaatst "Bij deze bent u gewaarschuwd", welke teksten en afbeeldingen bij die aangever bekend zijn geraakt.

Bewezenverklaring

  • Bedreiging

Strafoplegging

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Ten aanzien van de ernst van het feit overweegt de rechtbank dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een bedreiging tegen het leven gericht jegens aangever, een CDA-raadslid en tevens veldwerker bij de Stichting naam Stichting, als reactie op een interview dat aangever had gegeven over -kort gezegd- het thema jihadisten en radicalisering. Verdachte heeft op diverse momenten op 5 december 2013 op de Facebookpagina van aangever bedreigende tekst en afbeeldingen gepost, waardoor aangever zich erg angstig en bedreigd heeft gevoeld. De rechtbank acht dit een ernstig feit dat inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid van aangever en zijn recht van vrije meningsuiting.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hierna te noemen omstandigheden aanleiding bestaat om af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank heeft bij de voorvragen reeds vastgesteld dat sprake is van een fors tijdsverloop, waarbij de redelijke termijn ruimschoots is overschreden. Van een voortvarende behandeling van de zaak door de bevoegde autoriteiten is geen sprake is geweest. Ter zitting heeft de officier van justitie verklaard dat het tijdsverloop is gelegen in de omstandigheid dat verdachte telkens opnieuw een kans is gegeven om mee te werken aan begeleiding, welke stroef verliep, en om Reclassering Nederland over verdachte te laten rapporteren. De rechtbank acht dit geen bijzondere omstandigheid in de zin dat gesproken kan worden van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Het had op de weg van de officier van justitie gelegen om de zaak, zeker nu de begeleiding volgens het OM niet goed verliep, eerder op zitting aan te brengen. Door deze gang van zaken heeft verdachte in langdurige onzekerheid verkeerd over de uiteindelijke uitkomst van de onderhavige strafzaak.

De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte first offender is en dat hij na het plegen van het onderhavige feit niet meer in aanraking met politie en justitie is gekomen. Verdachte is gedurende twee jaar begeleid door gespecialiseerde medewerkers van Spirit, waarbij ook zijn ouders zijn betrokken. Verdachte heeft ter zitting onder meer naar voren gebracht dat het goed met hem gaat, dat hij zijn Havo-opleiding inmiddels heeft afgerond en nu een (thuis)studie Bedrijfsadministratie volgt. Verdachte heeft verklaard intensief te zijn begeleid door Spirit, waar hij gesprekken heeft gevoerd en waar hij praktische hulp heeft gekregen. Verdachte heeft spijt betuigd en heeft verklaard dat dit nooit meer zal gebeuren.

De ouders van verdachte hebben ter terechtzitting bevestigd dat het goed gaat met verdachte en dat de onderlinge communicatie is verbeterd. De ouders hebben er het volste vertrouwen in dat verdachte zich niet meer zal schuldig zal maken aan een dergelijk feit.

Gelet op al het voorgaande en met name gelet op het tijdsverloop zal de rechtbank verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. Oplegging van een (werk)straf, zoals door de officier van justitie gevorderd zal, ook in voorwaardelijke vorm, naar het oordeel van de rechtbank geen pedagogische meerwaarde hebben. Enig strafrechtelijk doel, anders dan leedtoevoeging, is naar het oordeel van de rechtbank niet aanwezig.

Op grond van de omstandigheden die zich na het begaan van het bewezen geachte hebben voorgedaan, zal aldus geen straf of maatregel aan verdachte worden opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF