Veroordeling wegens ontuchtige handelingen met minderjarigen en het bezit van kinder- en dierenporno. Partiële nietigheid dagvaarding voor wat betreft aanduiding ‘groot’ aantal.

Rechtbank Midden-Nederland 23 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1485 (gepubliceerd op 15 april 2016)

Verdachte – een man van 28 jaar oud – heeft vier minderjarige jongens in de leeftijd van 13 tot 16 jaar op tijdstippen in de periode van mei 2013 tot en met april 2014 seksueel misbruikt. Dit misbruik bestond uit het zoeken (onder meer via internetsites gericht op homoseksuelen) van contact met deze jongens en hen er vervolgens tijdens seksueel getinte chatgesprekken toe aan zetten naaktfoto’s en/of filmpjes van henzelf naar verdachte te sturen, welke bestanden als kinderpornografisch te kwalificeren zijn. Verdachte stuurde op zijn beurt onder meer een foto van zijn stijve geslachtsdeel naar deze jongens en een filmpje waarop te zien is dat hij zichzelf aftrekt. Ook verstuurde verdachte kinderpornografisch materiaal naar minderjarige jongens. Verdachte stelde voor met hen af te spreken. Met twee van de vier jongens is dat ook daadwerkelijk gebeurd. Tijdens deze ontmoetingen heeft verdachte zich door hen laten pijpen. Ten slotte zijn op de diverse gegevensdragers van verdachte in totaal 1.046 kinderpornografische foto’s en 3.336 kinderpornografische films/video’s aangetroffen alsmede een hoeveelheid dierenporno.

Onderzoek

In april 2014 werd door de ouders van de toen dertienjarige slachtoffer 1 aan de politie gemeld dat slachtoffer 1 op verzoek van ene ' naam ' naaktfoto's/films had verstuurd. Zij deden daarvan aangifte. Uit het daaropvolgend onderzoek van de telefoon van slachtoffer 1 bleek dat hij meerdere seksueel getinte chatgesprekken met deze ' naam ' had gevoerd. Het politieonderzoek leidde naar verdachte. Bij doorzoekingen in zijn woning en de woning van verdachtes ouders zijn meerdere gegevensdragers in beslag genomen. Onderzoek wees uit dat verdachte ook met andere minderjarige jongens dergelijke chatgesprekken voerde, met hen (naakt)foto's uitwisselde en aanstuurde op het maken van afspraken voor ontmoetingen. De politie heeft na uitgebreid onderzoek meerdere van deze minderjarige jongens kunnen traceren. Een aantal daarvan heeft vervolgens aangifte gedaan. Uit de verhoren die de politie van enkele jongens heeft afgenomen, komt naar voren dat verdachte ook daadwerkelijk een aantal keer heeft afgesproken en dat tijdens die afspraken seksueel contact met de minderjarigen heeft plaatsgehad. Op enkele gegevensdragers van verdachte trof de politie een grote hoeveel kinderpornografisch materiaal aan. Ook is een geringe hoeveelheid dierenporno aangetroffen. Nader onderzoek van de zich op de gegevensdragers bevindende chatgesprekken wees uit dat verdachte niet alleen kinderporno heeft gedownload, maar ook heeft aangeboden en verspreid. Van een aantal webcamgesprekken met minderjarige jongens heeft verdachte bovendien opnamen gemaakt. Deze opnamen worden door de politie aangemerkt als kinderporno. Verdachte heeft aanvankelijk een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft hij de aan hem tenlastegelegde feiten bekend. Van het bezit van dierenporno zegt hij zich echter niet bewust te zijn geweest.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2, derde feit, feit 5 en feit 6 nietig dient te worden verklaard. De wijze waarop het bezit van kinder- en dierenpornografie ten laste is gelegd, is onvoldoende feitelijk in de tenlastelegging omschreven.

Meer specifiek heeft de raadsman met betrekking tot feit 6 aangevoerd dat door te verwijzen naar een grotere hoeveelheid afbeeldingen dan feitelijk in de tenlastelegging is omschreven, niet is voldaan aan de richtlijnen zoals door de Hoge Raad geformuleerd zijn in het arrest van 24 juni 2014. In samenhang bezien met de inhoud van het dossier wordt dit niet anders. Zo is de collectiescan niet aangevuld met bestandsnamen van de kinderpornografische afbeeldingen die zich in de toonmap van het Openbaar Ministerie bevinden. Evenmin is in het dossier beschreven wat op deze afbeeldingen is te zien. Er is geen indeling per categorie gemaakt, er wordt niet verwezen naar nummers in het dossier of een bronproces-verbaal. Het proces-verbaal waarin wel enige afbeeldingen zijn omschreven roept diverse vragen op, zodat ook dit niet voldoende kan worden geacht. Voor de verdediging is het zodoende niet duidelijk waartegen zij zich moet verdedigen. Datzelfde geldt voor het onder 2, derde feit ten laste gelegde.

De tekst van de tenlastelegging behorende bij feit 5 bevat geen verwijzing naar, noch een beschrijving van de afbeeldingen die dierenpornografisch van aard zouden zijn.

Aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering is volgens de verdediging niet voldaan.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding geldig is. De proceshouding van verdachte is strijdig met het door de raadsman gevoerde nietigheidsverweer. Immers, uit de proceshouding van verdachte volgt dat hij wel degelijk weet wat hem ten laste is gelegd en waartegen hij zich moet verweren. Daarbij voldoet de tekst van de tenlastelegging aan de eisen die de Hoge Raad daaraan bij zijn arrest van 17 november 2015 heeft gesteld. Uitzondering moet worden gemaakt voor de woorden ‘een groot aantal’, zoals opgenomen onder feit 6. Dit hoeft echter geen nietigheid van de dagvaarding met zich mee te brengen. Volstaan kan worden met het wegstrepen van deze woorden in de bewezenverklaring.

Onder feit 5, betreffende de dierenpornografie, zijn inderdaad geen bestandsnamen in de tekst van de tenlastelegging opgenomen. Reden hiervoor is het geringe aantal ‘accessible’ afbeeldingen en films dat is aangetroffen op de gegevensdragers van verdachte. Hierdoor is het duidelijk om welke bestanden het gaat. Uit de rechtspraak volgt dat bij een geringe hoeveelheid bestanden, niet nader gespecificeerd hoeft te worden.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het ten laste gelegde feit. De tenlastelegging dient een feitelijke omschrijving te bevatten van het strafbare feit dat de verdachte verweten wordt gepleegd te hebben. Achtergrond daarvan is dat alle partijen, dus de verdachte, de officier van justitie en de rechter, op de hoogte zijn van de gronden waarop de vervolging rust. In het verlengde daarvan ligt het doel dat de verdediging de mogelijkheid moet hebben zich concreet voor te bereiden. De tenlastelegging mag en kan in samenhang met het dossier worden gelezen.

Feit 2, derde onderdeel, heeft betrekking op films/video’s waarin (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken. Uit het dossier volgt dat verdachte pornografisch materiaal heeft verstuurd naar slachtoffer 2 . De rechtbank verwijst in het bijzonder naar pagina 1683 tot en met 1688 van het dossier, waarin een chatgesprek tussen verdachte en slachtoffer 2 wordt weergegeven. Uit die gesprekken volgen de bestandsnamen van de videofilms die door verdachte naar slachtoffer 2 zijn verstuurd. Bovendien volgt uit het chatgesprek wat daarop is te zien. Verdachte heeft dit ter terechtzitting ook bevestigd. Hij zocht op verzoek van slachtoffer 2 welbewust naar kinderpornografisch materiaal binnen zijn verzameling van bestanden. Daar komt bij dat door de officier van justitie ter terechtzitting gelegenheid is geboden de toonmap, met daarin het pornografisch materiaal, in te zien. De verdediging heeft van deze mogelijkheid geen gebruik willen maken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging op dit punt voldoende feitelijk is omschreven en dat het voor verdachte duidelijk is geweest waartegen hij zich moest verdedigen. Voor de rechtbank is voldoende duidelijk waarover zij moet beslissen.

Ten aanzien van feit 5 komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. De tenlastelegging is in samenhang met het dossier, met name het proces-verbaal ‘beschrijving kinderpornografisch materiaal’, pagina’s 423 en 427, voldoende duidelijk. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij 1 foto en/of 20 films/video’s waarop ontuchtige handelingen met dieren zijn te zien, in zijn bezit heeft gehad. In de tenlastelegging wordt –weliswaar zonder vindplaats van de verschillende bestanden– voldoende feitelijk omschreven waar die ontuchtige handelingen uit bestaan. In voornoemd proces-verbaal wordt beschreven dat er 1 foto en 20 films ‘accessible’ waren die als dierenpornografisch zijn beoordeeld. Ook wordt een omschrijving gegeven van de daarop zichtbare handelingen die als dierenpornografisch geclassificeerd zijn. Gelet op de beperkte hoeveelheid bestanden (21) en de omschrijving daarvan in het proces-verbaal moest het naar het oordeel van de rechtbank voor de verdediging voldoende duidelijk zijn op welke concrete bestanden de tenlastelegging ziet en waartegen zij zich concreet diende te verweren. Ook hier geldt dat de verdediging ter terechtzitting niet van de geboden gelegenheid gebruik heeft willen maken om de toonmap in te zien.

Ten aanzien van feit 6 overweegt de rechtbank als volgt. De steller van de tenlastelegging heeft een voldoende feitelijke omschrijving gegeven van de seksuele gedragingen die op de daar genoemde zeven afbeeldingen/films zichtbaar zouden zijn. Voor de verdediging en de rechtbank is het, ten aanzien van die bestanden, voldoende duidelijk waartegen de verdachte zich dient te verweren en waarover de rechtbank dient te beslissen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenlastelegging op dit punt voldoende duidelijk is. Wat betreft de aanduiding ‘(groot)’ in de context van ‘een (groot) aantal’ is de rechtbank evenwel een ander oordeel toegedaan. De tenlastelegging is op dit onderdeel te onbepaald. Daarmee voldoet de tenlastelegging van feit 6 naar het oordeel van de rechtbank niet aan de vereisten van artikel 261 Wetboek van Strafvordering. Zij verklaart de tenlastelegging dan ook partieel nietig voor zover het betreft de aanduiding ‘(groot)’.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: De voortgezette handeling van met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen en een voorwerp, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger dan 16 jaar is, meermalen gepleegd en door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand van wie hij weet, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon.
  • Feit 2: De voortgezette handeling van met iemand die de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en
  • door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand van wie hij weet, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon en een voorwerp, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger dan 16 jaar is, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: De voortgezette handeling van met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen en een voorwerp, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger dan 16 jaar is, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: De voortgezette handeling van:
  • Met iemand die de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd en door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand van wie hij weet, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, meermalen gepleegd en voorwerp, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger dan 16 jaar is, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij een mens en een dier betrokken zijn, in bezit hebben, meermalen gepleegd.
  • Feit 6: Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit heeft gehad en heeft verspreid, terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
  • Feit 7: Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft vervaardigd, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaren.

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich na zijn veroordeling binnen twee dagen meldt bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht . Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt;

5. zich ambulant laat behandelen bij de polikliniek De Waag te Utrecht of een vergelijkbare instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven;

6. zich onthoudt van:

  • het op digitale wijze met seksueel taalgebruik of anderszins seksueel te communiceren met minderjarigen;
  • gedragingen binnen een internetomgeving, waardoor kinder- of dierenpornografisch materiaal kan worden verkregen;
  • gedragingen binnen een internetomgeving, waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, wat betreft voorwaarde 3 zo nodig door controle van gegevensdragers en communicatiemiddelen van veroordeelde, en geeft opdracht de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF