Veroordeling bedreiging middels computerspel (shootersgame)

Gerechtshof Amsterdam 7 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:809

Partiële nietigheid van de inleidende dagvaarding

Het onder 3 ten laste gelegde houdt in dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan smaad(schrift) ten aanzien van de personen slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2, door het bericht te verspreiden dat het bedrijf Tanktechniek (waarvan bovengenoemde personen aandeelhouders waren) failliet zou gaan en een computerspel op internet te plaatsen met als titel ‘titel spel’.

Het ‘verwijt’ (als dit al zo genoemd kan worden) dat Tanktechniek failliet zou gaan, dan wel de titel ‘titel spel’ (blijkens de beëdigde vertaling: ‘Het tanktechniek bloedbad IV’) houden ieder voor zich geen duidelijk te onderkennen concrete gedraging in. Een en ander kan dus niet worden gezien als ‘de telastlegging van een bepaald feit’ zoals bedoeld in artikel 261 Sr (smaad(schrift)). Bovendien wordt de verdachte in het onder 3 ten laste gelegde verweten de bovenbedoelde uitlatingen te hebben gedaan ten aanzien van de natuurlijke personen slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2, terwijl dit in werkelijkheid ‘verwijten’ betreffen ten aanzien van de rechtspersoon Tanktechniek, welke rechtspersoon niet in de tenlastelegging wordt genoemd.

Gelet op het voorgaande is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg wat betreft het onder 3 tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard.

Ontvankelijkheid OM

Het onder 4 ten laste gelegde houdt – kort gezegd – in dat de verdachte slachtoffer 1 en/of slachtoffer 3 heeft beledigd door het plaatsen van een computerspel op internet.

Belediging, strafbaar gesteld in artikel 266 Sr, wordt blijkens artikel 269 Sr niet vervolgd, dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd. Een van de uitzonderingsgevallen genoemd in voornoemd artikel is hier niet aan de orde.

Uit het dossier blijkt niet dat door slachtoffer 1 en/of slachtoffer 3 een klacht omtrent de verweten belediging is ingediend. Hoewel slachtoffer 1 in zijn aangifte heeft verklaard zich beledigd te voelen door het spel, heeft hij in de aangifte niet expliciet laten blijken dat bij hem de wens tot vervolging van de verdachte om die reden aanwezig was. Uit de aangifte van slachtoffer 3 blijkt evenmin dat bij hem de wens tot vervolging van de verdachte ten aanzien van belediging bestond.

Gelet op het voorgaande zal het hof het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde bewoordingen, welke de verdachte in een e-mail naar aangevers heeft gestuurd, op zichzelf gezien een bedreigend karakter hebben. Het hof is echter van oordeel dat, gelet op de gehele context van het e-mailbericht waarin de bewoordingen zijn geplaatst, terwijl de e-mail is gestuurd naar aanleiding van een kort daarvoor plaatsgehad hebbend zakelijk conflict tussen de verdachte en aangevers waarbij de emoties bij de verdachte hoog zijn opgelopen, alle partijen er vanuit konden gaan dat deze bewoordingen als emotionele uitingen waren bedoeld en geen serieus bedreigend karakter hadden. Dat alle partijen hier ook van uit gingen wordt ondersteund door het gegeven dat de verdachte nadien nog gedurende een periode van ongeveer een jaar voor de aangevers heeft gewerkt en zelfs bij hen thuis is geweest. In deze specifieke situatie is het hof van oordeel dat bij de bedreigden dan ook niet de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat aan de bewoordingen uitvoer zou worden gegeven.

Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het opzet van de verdachte er niet op gericht was dat het spel de aangevers zou bereiken. Er is ook geen sprake van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft het spel op een afgeschermd, niet geïndexeerd gedeelte van zijn website geplaatst. De kans dat het spel gevonden zou worden door iemand die niet van het bestaan van het spel af wist is zeer gering en dus niet aanmerkelijk te noemen.

Indien het hof van oordeel is dat wel sprake is van een aanmerkelijke kans, heeft de raadsman verzocht een informaticadeskundige te benoemen die de kans kan duiden dat een willekeurig persoon het spel zou vinden. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het spel een satirisch karakter heeft en derhalve niet als bedreigend kan worden aangemerkt.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat heeft betoogd dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend dient te worden bewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van voorwaardelijk opzet bij de verdachte. De verdachte heeft het spel immers op internet geplaatst en aan anderen laten zien. Door aldus te handelen heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat het spel de aangevers zou bereiken.

Het oordeel van het hof

Op 13 maart 2013 kwam aangever slachtoffer 2 er achter dat op de website http://website 1/ een computerspel online stond met als titel ‘titel spel’. In het spel waren poppetjes te zien met daarop foto’s van de gezichten van aangevers slachtoffer 1, slachtoffer 2 en slachtoffer 3. De bedoeling van het spel was voornoemde poppetjes neer te schieten. De verdachte heeft toegegeven het spel te hebben gemaakt, maar heeft ontkend het op bovengenoemde, voor het publiek toegankelijke, website te hebben geplaats. De verdachte heeft immer verklaard dat hij het spel op een afgeschermd gedeelte van zijn eigen website (website 2) heeft geplaatst en niet te weten hoe het spel op de eerstgenoemde website terecht is gekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij het spel aan een aantal mensen heeft laten zien welke in het verleden met slachtoffer 1 en slachtoffer 2 hebben samengewerkt, door de verdachte aangeduid als ‘lotgenoten’. De verdachte heeft voorts verklaard dat wanneer iemand de specifieke URL kende waarop het spel te vinden was, het spel (publiekelijk) toegankelijk was. Een wachtwoord was in een dergelijk geval niet vereist. In andere gevallen was het moeilijk, zo niet onmogelijk het spel te vinden.

Door het spel aan verschillende personen te laten zien heeft de verdachte het spel voor deze personen vindbaar en dus toegankelijk gemaakt, nu er verder geen wachtwoord of iets dergelijke vereist was. Door de website aan deze personen te tonen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het spel via (een van) hen bij slachtoffer 1, slachtoffer 2 en/of slachtoffer 3 terecht zou komen. Temeer nu de verdachte wist dat deze specifieke personen een (al dan niet negatieve) zakelijke relatie met de aangevers hebben gehad.

Het hof wijst het voorwaardelijk gedane verzoek tot het benoemen van een informaticadeskundige af, nu het hof op grond van de motivering van het verzoek, de noodzaak daartoe niet gebleken is.

De teksten en afbeeldingen en met name het doel van het spel, zijn van dien aard dat zij een bedreigend karakter hebben. Het voorgaande in samenhang bezien met de omstandigheid dat tussen de verdachte en de aangevers een zakelijk geschil bestond, maakt dat het hof van oordeel is dat bij slachtoffer 1, slachtoffer 2 en slachtoffer 3 de redelijke vrees kon ontstaan dat daadwerkelijk op hen geschoten zou worden. Dat het spel volgens de verdediging een satirisch karakter heeft doet hieraan niet af.

Het hof acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke taakstrafvan 30 uren met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF