Rechtbank schetst kader herkenning van camerabeelden, acht herkenningen verbalisanten betrouwbaar en veroordeelt

Rechtbank Amsterdam 16 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7710

Verdachte heeft in een relatief korte periode samen met anderen een groot aantal bedrijfsinbraken gepleegd.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 tot en met 7 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De beelden van de inbraken zijn niet van voldoende kwaliteit om verbalisanten in staat te stellen iemand daarvan te herkennen. Verbalisanten stellen verdachte te herkennen aan gezichtskenmerken, die niet op de beelden zijn waar te nemen. Verschillende verbalisanten herkennen verdachte van andere beelden van verdachte en hebben verdachte nooit of alleen lang geleden in levenden lijve gezien. Dergelijke herkenningen dienen met zeer grote behoedzaamheid tegemoet getreden te worden.

Overwegingen rechtbank

In de onderhavige zaak zijn beeldopnames gemaakt tijdens diverse ten laste gelegde bedrijfsinbraken. Bij de beoordeling van de - al dan niet - betrokkenheid van verdachte bij deze inbraken zijn de herkenningen door verbalisanten gedaan op basis van dit beeldmateriaal van cruciaal belang.

Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Voorts heeft de rechtbank bij de beoordeling de volgende uitgangspunten gehanteerd.

De herkenning van een persoon op bewegend beeld kan plaatsvinden, grof gezegd, op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en manier van bewegen. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde. Het gezicht is immers uit zijn aard uniek en de meeste mensen zijn uitstekend in staat gezichten te herkennen. Op basis van uitsluitend kleding, houding en/of postuur kan in de zaken die thans aan de orde zijn naar het oordeel van de rechtbank geen voldoende betrouwbare herkenning plaatsvinden.

Wetenschappers als P. J. van Koppen en W.A. Wagenaar hebben ons geleerd, zoals ook door de raadsman naar voren is gebracht, dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Ook heeft het vanwege de holistische herinnering aan gezichten weinig zin om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van de verdachte heeft herkend.1 Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces. Om deze reden hecht de rechtbank bij haar beoordeling, anders dan de raadsman weinig belang aan de rationalisatie die de verbalisanten achteraf hebben gegeven van hun herkenning van het gezicht van verdachte.

De rechtbank heeft de volgende elementen in haar beoordeling betrokken. In de eerste plaats heeft zij beoordeeld aan de hand van het bekijken van de bewegende beelden en de stills daarvan in het dossier, of de beelden voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren, of er met andere woorden voldoende gezichtskenmerken te zien zijn om een herkenning mogelijk te maken. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht Ten slotte heeft de rechtbank nog gekeken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken. In het geval dat er andere bewijsmiddelen dan herkenningen in het dossier aanwezig zijn die de betrokkenheid van verdachte bij het ten last gelegde kunnen ondersteunen, zijn deze - uiteraard - in de beoordeling betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beelden van de ten laste gelegde poging tot diefstal bij bedrijf 1 op 22 februari 2016 van onvoldoende kwaliteit om enkel daarop herkenningen te baseren. De beelden zijn echter wel van voldoende kwaliteit om vast te kunnen stellen dat het gaat om dezelfde daders als die van de op diezelfde avond, vlak daarvoor gepleegde poging tot diefstal bij bedrijf 2. In het dossier bevindt zich ook een proces-verbaal van bevindingen (pagina C1054-C1057) waarin gemotiveerd wordt geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de betreffende twee inbraken op 22 februari 2016 bij bedrijf 2 (tussen 19:05 en 19:22 uur) en bedrijf 1 (tussen 19:15 en 19:30 uur) door dezelfde drie daders zijn gepleegd. De beelden van de poging tot diefstal bij bedrijf 2 zijn naar het oordeel van de rechtbank van voldoende kwaliteit om daarop herkenningen te kunnen baseren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de afzonderlijke herkenningen van verdachte als één van de daders van de poging tot inbraak bij bedrijf 2 door verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2, verbalisant 3, en verbalisant 4 bij het zien van de betreffende camerabeelden. De rechtbank betrekt hierbij dat de verbalisanten voorafgaand aan hun afzonderlijke herkenningen als volgt met verdachte bekend waren. Verbalisant 1 heeft verdachte de afgelopen jaren meermalen op straat gezien. Verbalisant 2 heeft verdachte op 28 november 2013 op heterdaad aangehouden en is hem daarnaast een keer op straat tegengekomen tijdens het surveilleren. Verbalisant 3 heeft verdachte verschillende keren – onder meer op 13 februari 2016 en daarmee minder dan twee maanden voor de door hem gedane herkenning op 5 april 2016 – in levenden lijve gezien en heeft verdachte ook een of meermalen gesproken. Verbalisant 4 is informatiespecialist en verstrekt en ontvangt vanuit dien hoofde dagelijks camerabeelden waarop ook regelmatig verdachte in beeld is gekomen. Daarnaast heeft verbalisant 4 verdachte begin 2016 tijdens zijn werkzaamheden een keer in levenden lijve gezien. Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank verdachte ook aan als één van de daders bij de poging tot inbraak bij bedrijf 1.

Bewezenverklaring

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

2. Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3. Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

4 en 5. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking, meermalen gepleegd;

6. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF